Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

Arbeid

betekenis & definitie

Volgens de Heilige Schrift behoort de arbeid tot den adel der menschelijke natuur. Geschapen naar Gods beeld had ook in den staat der rechtheid de mensch van Godswege een roeping, n.l. om den hof te bewaren en te onderhouden (Gen. 2 : 15) en om heerschappij te hebben over de overige aardsche schepping.

In deze beide, de roeping tot den arbeid en het heerschen over de natuur is een bepaalde arbeids- en cultuur-waardeering gegeven.

Daar de mensch naar Gods beeld is geschapen, en in gehoorzaamheid aan den souvereinen wil van zijn Schepper zijn roeping heeft te vervullen, verschijnt ook de arbeid in de Heilige Schrift in religieus licht. Uit de hand zijns Gods, die hem onderricht (Ex. 35 : 30 v.v.; 1 Kon. 4:29; Jes. 28:26—29), ontvangt hij de vruchten van zijn arbeid (Deut. 8 : 5, 8, 12).

In gehoorzaamheid aan de roeping tot arbeiden bloeit ook de arbeids-vreugde op (Ps. 104: 20, 23 v.; Pred. 5 : 18).

Wel kent de Heilige Schrift ook de smart, aan den soms vruchteloozen arbeid verbonden (Gen. 3 : 17; Hagg. 1 : 11), die zij leert kennen als een gevolg van de zonde; niettemin wordt zoowel de arbeid als roeping gehandhaafd (Ex. 20 : 9; 23 : 12) als allerlei arbeid aanbevolen en geprezen (vgl. Spr. 31:10—31). Daarentegen wordt ledigheid en luiheid veroordeeld (Spr. 20 : 4; 21 : 25; 26 : 14 v.).

Het Nieuwe Testament waardeert den arbeid geheel op dezelfde wijze, zonder opzettelijk beschouwingen er over te houden; dit blijkt bijv. uit verschillende gelijkenissen des Heeren, o.a. Matth. 20 : 6, eveneens uit hetgeen Paulus den Thessalonicensen beveelt (2 Thess. 3 : 10—12).

Jezus wordt „de timmerman” genoemd, en zal vóór zijn openbaar optreden in Jozefs werkplaats het handwerk hebben beoefend; zoo goed als Hij door den arbeid zijner ziel, in het dragen van den vloek, zijn volk heeft verlost, heeft Hij in volkomen gehoorzaamheid heel hetmenschelijk leven geheiligd, ook den handen-arbeid door zijn voorbeeld.

In Israël was de arbeid in hooge eere, met name de landbouw. Eveneens stond in het Jodendom omstreeks het begin onzer jaartelling de handenarbeid zeer in aanzien.

Onderscheiden uitspraken der rabbijnen bewijzen, hoe hoog zij den arbeid, ook den handenarbeid aansloegen; velen hunner leerden zelven een handwerk, gelijk ook Paulus, leerling der rabbijnen, die als apostel zijn ambacht uitoefende (Hand. 18:3; 1 Thess. 2 : 9; 2 Thess. 3 : 8).

Deze hooge schatting van den arbeid is door de Christelijke religie ingedragen in een wereld, die theoretisch en practisch een gansch andere waardeering ervoor had.

Met de beschouwingen der oudere wijsgeeren Plato en Aristoteles, in wier idealen staat aan den arbeid een wel noodzakelijke, maar geenszins eervolle plaats was toegewezen, stemden de opvattingen en practijken in den Romeinschen keizertijd vrijwel overeen.

Aan het enorm groot aantal slaven en vrijgelaten slaven was de handen-arbeid opgedragen; slechts de krijgsdienst en de landbouw waren geacht. Cicero verklaarde dat onder de beroepen niet eervol zijn koophandel en alle handen-arbeid, die geen kunst is.

De laagste standen der vrije burgers van Rome trachtten gaarne door van staatswege gehouden uitdeelingen aan het noodige voedsel te komen.

En ook de vrij geborene uit den hoogeren stand achtte voor den meesten arbeid zich tegoed.

Behalve de waardeering van den arbeid als een roeping van Godswege lag er voor de kerk van Christus van den aanvang af een sterk motief tot arbeidzaamheid in het sociaal gevoel, gewekt door het besef der roeping jegens den behoeftigen medebelijder.

Ook wat den arbeid betreft, heeft de Christelijke religie in het maatschappelijk leven als een zuurdeeg gewerkt; zij heeft het leven helpen omzetten, en een andere beschouwing gekweekt.

Het gebod der liefde jegens den naaste, de plicht van beoefening der barmhartigheid is doorloopend een motief tot den arbeid, ook in de opkomst en het bestaan van het monnikenwezen.

Daarnevens geldt in het leven van den kloosterling de arbeid als een hulpmiddel van beteekenis voor de bestrijding van de lusten des vleesches, tot verdrijving van de booze gedachten.

Met het tijdperk der Reformatie brak zich opnieuw de opvatting baan, die den arbeid waardeert om zijns zelfs wil, en niet enkel als een hulpmiddel in het geestelijk leven.

Met name Calvijn legt sterk den nadruk op allen eerlijken arbeid als een roeping, zooals ook het huwelijksformulier spreekt van een „goddelijk beroep”.

Ontegenzeggelijk heeft in de moderne cultuur de arbeid allengs een andere waardeering en plaats verkregen. Hiertoe hebben geestelijke en oeconomische factoren samengewerkt.

De ontkerstening van het leven, de heerschappij van het materialisme hebben duizenden ertoe gebracht, dat men meer waarde ging hechten aan hetgeen de arbeid opleverde aan middelen tot levensgenot dan aan het genot en de bevrediging van den arbeid zelven.

Daarnevens heeft de toeneming van het fabriekswezen, de verdeeling en de mechaniseering van den arbeid ertoe bijgedragen, zeer veel arbeid te maken tot een eentonige, geesfdoodende bezigheid, zoodat het belang en de waarde van den arbeid veelal meer wordt gezocht in het loon, dat men zich verwerven kan, en waarvoor men de levensvreugde zoekt, die de arbeid zelf niet meer oplevert.

Veelal wordt de arbeid als een last. ja als een onvermijdelijk kwaad beschouwd. Wat nog aan den arbeid bindt is de gedachte aan het loon, waarvoor levens-genot kan worden gekocht.

De Christelijke religie heeft ook tegenover deze arbeidswaardeering, die in en met de moderne cultuur is opgekomen, haar dure roeping.

De kerk van Christus, levende in het geloof in de macht van het offer, aan het kruis gebracht, heeft de beginselen van rechtvaardigheid en liefde als eischen van het Woord des Heerente verkondigen ook voor het sociale leven, waarin de arbeid zulk een ontzaglijke beteekenis heeft.

Zij heeft den mensch zijn roeping voor te houden, die hij in gehoorzaamheid aan de scheppings-ordinantie moet vervullen. En hem erop te wijzen, dat eind en doel van des menschen bestaan niet liggen op deze aarde.