Slachtoffer betekenis & definitie

Slachtoffer, offerdier dat geslacht wordt; (fig.) persoon die zwaar wordt getroffen door een bepaalde handeling of gebeurtenis.

Slachtofferen, tot een slachtoffer maken.

Een slachtoffer als offerdier dat geslacht wordt als gave aan een god is een algemeen begrip in de Oudheid maar is bij ons mogelijk voornamelijk bekend door de bijbel. Zie bijvoorbeeld 1 Samuël 16:2, ‘De HERE zeide: Gij zult een jonge koe meenemen en zeggen: ik ben gekomen om de HERE een slachtoffer te brengen’ (NBG-vertaling; de NBV heeft ‘offer’ in plaats van ‘slachtoffer’). In hedendaags taalgebruik is de eerste betekenis, ‘offerdier’, nauwelijks meer van belang en duidt het woord vrijwel uitsluitend levende wezens aan of met levende wezens vergeleken zaken die zijn getroffen door een (gewoonlijk negatief geachte) handeling of gebeurtenis. Het afgeleide werkwoord slachtofferen is voor het eerst aangetroffen in de negentiende eeuw, in het Vlaams.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1627), Leviticus 23:37. Dit zijn de gesette Hoochtijden des HEEREN, dewelcke ghy sult uytroepen, tot heylige t’samen-roepingen: om den HEERE Vyer-offer, Brand-offer, ende Spijs-offer, Slacht-offer, ende Dranck-offeren, elck dagelicx op sijnen dach te offeren.

Gebruiksvoorbeeld: Met de regelmaat van de klok worden vogels op zee slachtoffer van illegale olielozingen. (Waddenbulletin, 1994, nr. 3)

Gebruiksvoorbeeld: Ook zij werd slachtoffer van de vergetelheid. (De Standaard, dec. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Voor diegenen die zich geslachtofferd voelen door het dagelijkse gevecht tussen huid, baard en scheermes presenteert Clinique zich als redder. (Playboy, 1992, nr. 8)

Gepubliceerd op 11-05-2017