Fiool betekenis & definitie

De fiolen van zijn toorn uitstorten of uitgieten over iemand, heftig uitvaren tegen iemand; ongeremd zijn woede op iemand uiten.

Een fiool of fiole is een van oorsprong Latijns woord, phiala, dat onder andere ‘schaal’ en later ook ‘flesje met smalle hals’ betekende. In Openbaring 15:7 is sprake is van de ‘seven gouden phiolen vol des toorns Gods’ (in de formulering van de Statenvertaling) en in hoofdstuk 16:1 van het uitgieten van de fiolen van de toorn Gods. In andere, ook jongere vertalingen wordt wel het woord schalen gebruikt.

Bijbelcitaat: Deux-Aesbijbel (1562), Openbaring 16:1. ENde ick hoorde een groote stemme wt den Tempel segghen tot de seuen Enghelen: Gaet, ghiet de seuen Phiolen der toornicheyt Gods wt op de Aerde.

Gebruiksvoorbeeld: Dus daar zat de kneep, realiseerde Juul zich. Hij had haar gisteren met Otto gezien en hij was jaloers. Ze nam zich voor, de fiolen van zijn toorn rustig over zich heen te laten gaan. (N. van der Zee, Zuster Juuls Ereprijs, z.j. (1963), p. 134)

Gebruiksvoorbeeld: Opgewonden is zelden opwindend, denk ik dan, maar toch: waar heb ik het aan verdiend dat beide heren de fiolen van hun toorn over mij uitstorten? (De Standaard, nov. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Maar ook ‘zware jongens’ als de burgemeesters Nijpels van Breda, Brokx van Tilburg en Welschen van Eindhoven gieten de fiolen van hun toorn vooral uit over het provinciaal bestuur in Den Bosch. (NRC, aug. 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017