Aanfluiting betekenis & definitie

Aanfluiting, voorwerp van spot; schandelijke zaak, blunder.

Tot een aanfluiting maken, tot een voorwerp van spot, tot schande maken.

Op verschillende plaatsen in de bijbel, in Jeremia, Micha en in de Kronieken, wordt gesproken over het verval van het volk Israël, in het laatstgenoemde bijbelboek in de volgende woorden: ‘... zodat de toorn des HEREN op Juda en Jeruzalem rustte en Hij hen maakte tot een voorwerp van schrik en ontzetting en tot een aanfluiting’ (2 Kronieken 29:8, NBG-vertaling). Aanfluiten komt ongeveer overeen met ons uitfluiten, wegfluiten ‘door fluiten bespotten, zijn afkeuring laten horen over (iets)’. Dit werkwoord komt zo in de Deux-Aesbijbel (1562) voor, bijvoorbeeld in Jeremia 51:37, terwijl de Liesveldtbijbel (1526) aenpijpen gebruikt. De Statenvertaling is waarschijnlijk de bron van het nu nog populaire aanfluiting.

De uitdrukking tot een aanfluiting maken komt met dit werkwoord pas in de NBG-vertaling voor -- de Statenvertaling heeft setten -- en is al aan het verouderen, terwijl aanfluiting zonder meer ook in de informele taal heel gewoon is. De NBV kent het woord aanfluiting niet meer, juist wegens de gewijzigde gevoelswaarde.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Jeremia 19:8. Ende ick sal dese stadt setten tot eene ontsettinge, ende tot eene aenfluytinge: al wie voorby haer gaet, sal sich ontsetten ende fluyten over alle hare plagen.

Gebruiksvoorbeeld: Zij noemde de oude zuivelfabriek een ellendig ding, een aanfluiting voor het dorp. (Meppeler Courant, okt. 1991)

Gebruiksvoorbeeld: Bij Brecht is de associatie met de DDR onvermijdelijk. Hij overleed er in 1956 zonder ooit publiekelijk het zetbazenregime te hebben verloochend dat zijn communistische overtuiging tot een gruwelijke aanfluiting maakte. (NRC, 13-11-1999, p. 35)

Gepubliceerd op 11-05-2017