Wat is de betekenis van zwak?

2019
2021-03-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zwak

zwak - Bijvoeglijk naamwoord 1. tekortkomend in kracht of vaardigheid 2. taalk. (Germaanse werkwoorden) een verleden tijd vormend met een dentaal achtervoegsel Reizen-reisde-gereisd is een zwak werkwoord, rijzen-rees-gerezen een sterk''. 3. taalk. (Germaanse naamwoo...

Lees verder
2018
2021-03-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zwak

zwak - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. zonder veel kracht ♢ ze kan dat niet tillen, ze is nog erg zwak 1. een zwak argument [niet overtuigend] 2. zwak staan...

Lees verder
2017
2021-03-02
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

zwak

Zwak is het laagste niveau waarop een leerling kan scoren op de voortgangstoets. De andere niveaus zijn basisniveau en plusniveau. Als een leerling zwak scoort, krijgt hij of zij herinstructie en gaat daarna verder met oefeningen op hetzelfde niveau als voor de toets.

2003
2021-03-02
Financieel Woordenboek

Door Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

zwak

zwak - Term om de stemming op een beurs mee aan te geven: op een zwakke beurs dalen de koersen geleidelijk.

1998
2021-03-02
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

zwak

1. Van een hand: weinig honneurpunten bevattend. 2. Van een (lange) kleur: zonder honneurs of met slechts een enkele honneur. 3. Van een bieding: (relatief) weinig honneurpunten aangevend. Zie ook: naar het zwak toe spelen; sterk

Lees verder
1973
2021-03-02
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

zwak

I. bn. en bw. (-ker, -st), 1. gering van kracht, van lichaamsvermogen: de zieke is nog op zijn benen, hij kan nog niet goed staan, lopen; 2. (sociaal) niet draagkrachtig: de economisch zwakkeren; 3. niet veel kunnende presteren; niet scherp: van gehoor; met zwakke stem; een zwakke pols, die nauwelijks waarneembaar klopt; een geheugen, dat snel verg...

Lees verder
1950
2021-03-02
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zwak

1. bn. bw. (-ker,-st), 1. gering van kracht, van lichaamsvermogen, niet sterk: zwak als een kind; zwak van ouderdom ; het zwakke geslacht, de vrouwen ; — de zieke is nog zwak op zijn benen, hij kan nog niet goed staan, lopen; — ook van de krachten zelf gezegd: zo veel zijn zwakke krachten veroorloofden...

Lees verder
1898
2021-03-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Zwak

Het begrip zwak heeft 2 verschillende betekenissen: 1. zwak - ZWAK - 1. ZWAK, bn. bw. (-ker, -st), niet sterk, krachteloos, teer: een zwak kind; zwak van ouderdom; het zwakke geslacht, de vrouwen; — nog niet geheel hersteld van eene ziekte: de zieke is nog zwak op zijne beenen, hij kan nog niet goed staan, loopen; het kind heeft zwakke bee...

Lees verder