Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

zwak

betekenis & definitie

zwak - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

1. zonder veel kracht
ze kan dat niet tillen, ze is nog erg zwak
1. een zwak argument
[niet overtuigend]
2. zwak staan
[er zo voor staan dat je gemakkelijk kunt verliezen]
3. het zwakke geslacht
[de vrouwen]
2. niet tegen veel bestand
♢ zij heeft een zwakke gezondheid
1. een zwakke maag hebben
[die geen zwaar voedsel verdraagt]
2. in een zwak moment (ogenblik)
[waarin niet voldoende aan de gevolgen gedacht is]
3. het vlees is zwak
[wordt gezegd als iemand geen weerstand kon bieden aan een verleiding]
3. niet bedreven, onbekwaam
♢ deze leerling is zwak in wiskunde
1. een zwakke broeder
[iemand die niet goed kan meekomen op school]
4. wat moeilijk waar te nemen is
♢ de zieke had een zwakke stem

1. klein tekort in iemands karakter
♢ het is een zwak van Diederik dat hij geen nee kan zeggen

Algemene uitdrukkingen:
1. een zwak werkwoord
[dat geen klinkerwisseling heeft in de verleden tijd]
Bijvoeglijk naamwoord: zwak
... is zwakker dan ...
het zwakst
de/het zwakke ...
iets zwaks

Zelfstandig naamwoord: zwak
het zwak

Synoniemen
broos

Tegenstellingen
drastisch, ingrijpend