Wat is de betekenis van vals?

2019
2021-06-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vals

vals - Bijvoeglijk naamwoord 1. onecht, niet legitiem Dit zijn valse biljetten van €20. 2. bij honden: geneigd tot wangedrag, zoals onverhoeds bijten Deze hond is mishandeld en daardoor vals geworden. Verwante begrippen [2] boosa...

Lees verder
2018
2021-06-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vals

vals - bijvoeglijk naamwoord 1. niet hetzelfde ♢ sommige tonen waren vals 1. valse lucht [door een lek aangezogen] 2. vals spelen [onzuiver spe...

Lees verder
2010
2021-06-24
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

vals

vals: plat, start.

1980
2021-06-24
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Vals

Hoe Nederlands het woord vals er ook uitziet en klinkt, het is van Latijnse afkomst. Het Latijnse werkwoord fallere betekent: bedriegen; falsus is: bedrieglijk, onwaar. Waarschijnlijk zijn de Nederlandse vorm vals en de Duitse falsch via het Oudfrans ontstaan in de tijd van Heinric van Veldeke, dus in de 12e eeuw. Door zijn bemiddeling is dan het w...

Lees verder
1973
2021-06-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

vals

bn. en bw. (-er, -t of meest —), 1. niet zoals het zijn moet, niet correct, niet behoorlijk, foutief, verkeerd: een valse uitspraak van het Frans; verkeerd aangebracht licht of belichting, meestal fig.: iets in een — (dag)licht plaatsen of stellen, iets verkeerd voorstellen; een valse plooi of vouw, die er niet hoort; 2. (muziek) onzuiv...

Lees verder
1954
2021-06-24
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Vals

spurius, schijnbaar, tijdelijk, pseudo-, onecht, niet-genuïen; (met andere woorden de Nederlandse vertaling van dergelijke begrippen); bijv. valse kiezen zijn praemolares (zie gebit); v.gewricht, zie pseudarthrose enz. enz.

1952
2021-06-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vals

adj. & adv., falsk; (van aard), falsk, glûpsk, glûperich, fianich, dûbel(d)hertich, raensk, skarlunich, njirrich, loebeseftich; — vriendelijk, fluensk, fliensk, glaeijen, glaeijerich; -e vriendelijkheid, fluenskens, giaeijens; — glimlachend, lakswiet.

1950
2021-06-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vals

bn. bw. (-er, -t of meest—), 1. in strijd met de werkelijkheid of de waarheid; onwaar, onjuist: hij zou schreeuwen dat het vals was (v. Looy): de valse leer; — (Zuidn.) iem. vals maken, hem heten liegen ; — (wisk.) valse positie, methode volgens welke men de waarde van een onbekende grootheid, hetzij volkomen, hetzij bij benaderin...

Lees verder