2020-02-25

vals

vals: plat, start.

2020-02-25

vals

vals - bijvoeglijk naamwoord 1. niet hetzelfde ♢ sommige tonen waren vals 1. valse lucht [door een lek aangezogen] 2. vals spelen [onzuiver spelen] 3. een valse start [vertrek voordat het startsein geklonken heeft]...

2020-02-25

vals

vals - Bijvoeglijk naamwoord 1. onecht, niet legitiem Dit zijn valse biljetten van €20. 2. bij honden: geneigd tot wangedrag, zoals onverhoeds bijten Deze hond is mishandeld en daardoor vals geworden. Verwante begrippen [2] boosaardig, kwaadaardig

2020-02-25

vals

bn. en bw. (-er, -t) [Lat. falsus < fallere, bedriegen] 1. niet echt, nagemaakt: haar, goud, geld; -e sleutels; een -e handtekening; een -e eed; een -e naam opgeven. Syn. onecht. ➝ munt. 2. vals geld makend: een -e munter. 3. niet het volle gewicht hebbend: -e gewichten. 4. onwaar: een getuigenis: -e profeten. ➝ licht. 5. een vals getuigenis afleggend: -e getuigen. 6. in schijn: een -e schaamte; -e godsvrucht, nederigheid; ➝ rib. 7. verkeerd, onzuiver: een -e uitspraak; zingen. ...