Wat is de betekenis van Tanen?

2020
2022-08-11
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

tanen

UIT: Organisatie Dierenpark Emmen ongezond en log (Nu.nl, 11 oktober 2010) CONTEXT: Dierenpark Emmen, dat bekendstaat als een van de mooiste parken van Nederland, is niet met zijn tijd meegegaan, zo blijkt uit het onderzoek. De organisatie van het park is de afgelopen 15 jaar niet veranderd en het kent een TANEND imago, aldus de onderzoekers. : a...

Lees verder
1973
2022-08-11
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Tanen

(taande, heeft en is getaand), 1. in taan koken: de zeilen, de netten tanen; 2. vaalgeel of dof worden, zijn helderheid verliezen: de zon begint te tanen; (fig.) achteruitgaan: zijn roem begon te tanen; het gezag ging tanen.

Lees verder
1952
2022-08-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tanen

v.; (met taan insmeren), taenje, tane; (afnemen), tane, toalje, ôftakje.

1950
2022-08-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Tanen

(taande, heeft en is getaand), 1. (overg.> van visnetten enz.: ze in taan koken om ze duurzamer te maken, waarbij zij een gele of, door bijvoeging van koperrood, een bruine kleur krijgen : de zeilen, het touw, de netten tanen; 2. (overg.) vaalgeel kleuren; 3. (onoverg.) vaalgeel, vaal of dof worden, zijn helderheid verliezen : ...

Lees verder
1949
2022-08-11
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Tanen

behandeling van visnetten met bepaalde warme oplossingen (aftreksel van eikenschors), waardoor ze aan duurzaamheid winnen en beter tegen de invloed van lucht en water bestand zijn.

1937
2022-08-11
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

tanen

taande, h. (1), i. (2) getaand (1 met taan bewerken of verven; 2 vaalgeel, bruingeel worden; fig. verduisteren): 1. de zeilen, de netten tanen, dompelen in, in- of besmeren met taan, tegen rotting; 2. de zon begint te tanen door de veenrook; de roem van Napoleon begon te tanen, verloor zijn glans.

Lees verder
1933
2022-08-11
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Tanen

het indompelen in heete taan of het daarmede besmeren v. netten, om ze te vrijwaren v. rotten

1921
2022-08-11
Levende taal

T. Pluim - 1921

Tanen

van taan = run (van ’t Lat. tannum; vgl. tannine = looizuur; en ’t Fr. tanner — looien), ’t Woord bet. dus: een kleur als run krijgen, geelbruin worden: een taankleurig gelaat. De frissche kleur is verdwenen, en daaruit ontstond de bet.: de vroegere schoonheid of glans (ook roem) verliezen: zijn roem begint te tanen; de zon...

Lees verder
1898
2022-08-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tanen

Tanen - (taande, heeft en is getaand), het leder met run bereiden; met taan verven; — de zeilen, het touw, de netten tanen, in taan koken, waardoor zij beter tegen het nat bestand zijn; — rosgeel worden : de zon begint te tanen; verduisteren, zijn glans verliezen: die roem is ook al getaand. TANING, v. het tanen, verduistering; het ver...

Lees verder
1856
2022-08-11
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Tanen

b.w. - Met Taan verwen. Een Getaand zeil.