Wat is de betekenis van plechtig?

2018
2020-11-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

plechtig

plechtig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: plech-tig 1. officieel en statig ♢ het was een plechtige dienst 2. ernstig en stemmig ♢ met plechtige stem droeg hij het vers voor Bijvoegl...

Lees verder
1980
2020-11-23
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Plechtig

Verwant met plicht is het bijvoeglijke naamwoord plechtig, maar de betekenis heeft zich vrij ver van de oorspronkelijke verwijderd. Naast plechtig kwam vroeger ook plichtig voor in de betekenis: tot iets verplicht, schuldig. Wij kennen nog: dienstplichtig en schatplichtig. Vandaar de ruimere betekenis: overeenkomstig hetgeen men behoort te doen, ov...

Lees verder
1973
2020-11-23
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

plechtig

bn. en bw. (-er, -st), 1. met volle staatsie, statig en in de vorm: een plechtige bijeenkomst; plechtige communie, feestelijke communie van de kinderen omstreeks het 12e jaar; 2. in de vereiste vorm, zodat er formeel niets aan ontbreekt: een plechtige eed, verzekering; 3. ernstig, stemmig: een — uur; plechtige taal, verzen.

Lees verder
1898
2020-11-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Plechtig

Plechtig bn. bw. (-er, -st), statig, waardig, ernstig, van ceremoniën vergezeld en uit eene hoogere stemming voortkomende of die veroorzakende: het was een plechtig oogenblik, toen Karel V zijne waardigheden overdroeg aan zijn zoon; een plechtige dag; een plechtig feest; de Staten zwoeren Filips II plechtig af; eene plechtige stilte heerschte...

Lees verder
1898
2020-11-23
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Plechtig

zie Deftig.