Wat is de betekenis van Nagelen?

2024-06-17
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-17
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

nagelen

(1984) (Vlaanderen, inf.) geslachtsgemeenschap hebben. • (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984) • (Johan De Caluwe, Veronique De Tier, Anne-Sophie Ghyselen, Roxane Vandenberghe: Atlas van het Dialect in Vlaanderen. 2021) p. 140

2024-06-17
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

nagelen

nagelen - Werkwoord 1. (ov) met spijkers vastslaan Dat zit genageld, niet gevezen. Woordherkomst Afgeleid van nagel met het achtervoegsel -en

2024-06-17
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

nagelen

(nagelde, genageld) (vast)spijkeren, timmeren. Zo'n twaalf Filippijnen, onder wie één vrouw, zullen zich vandaag vrijwillig aan het kruis laten nagelen. Daarmee willen ze Christus' kruisiging zo'n 2.000 jaar geleden op Goede Vrijdag herdenken. - DS, 29-03-2002.

2024-06-17
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

nagelen

In Vl.-België het gewone woord voor: spijkeren, vastspijkeren, (iets) timmeren. - Zie voor een uitvoerige verklaring bij nagel. Boven de tafel, tegen den muur, heeft mijn broer een rekje genageld; daarop liggen mijn boeken, VERMEYEN 1947, 45. Jan de Lichte zit daar dus, in dat stuk van een wankele woonwagen, die er verwaarloosd in de...

2024-06-17
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Nagelen

v., neilje; aan de grond genageld, yn it gat bineile.

2024-06-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Nagelen

(nagelde, heeft genageld), 1. met spijkers of pinnen bevestigen, vastspijkeren: de latten op de kepers nagelen; Christus werd aan het kruis genageld; — (fig.) hij zat op zijn stoel genageld, van iem. die een gehele tijd vast op zijn stoel blijft zitten; hij stond aan de grond genageld, hij kon (van schrik enz.) niet van z...

2024-06-17
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

nagelen

nagelde, h. genageld (1 spijkeren; vastslaan met een spijker of nagel; 2 zekere manier van knikkeren [onbedreven]): 1. Jezus werd aan het kruis genageld; fig. hij stond als aan de grond genageld, onbeweeglijk van schrik enz.; 2. die jongen nagelt, wat kan men verwachten van een nagelaar?

Wil je toegang tot alle 15 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-17
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

nagelen

('na:gəlan) (nagelde, heeft genageld) 1. met nagels bevestigen, vastspijkeren: een plank -; Jezus werd aan het kruis genageld; ergens aan, op genageld zitten, er onbeweeglijk aan, op vastzitten. ➝ grond. 2. zo knikkeren dat de knikker met de nagel van de duim wordt voortgeschoten.