Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

nagelen

betekenis & definitie

In Vl.-België het gewone woord voor: spijkeren, vastspijkeren, (iets) timmeren.

- Zie voor een uitvoerige verklaring bij nagel.

Boven de tafel, tegen den muur, heeft mijn broer een rekje genageld; daarop liggen mijn boeken, VERMEYEN 1947, 45.

Jan de Lichte zit daar dus, in dat stuk van een wankele woonwagen, die er verwaarloosd in de motregen staat, en waar men stukken van planken heeft genageld over reten en gaten van een hand breed, BOON 1975, 167.

Het tuinhuisje is vaders hobby. Met de hand genagelde stevige konstructies, echte juweeltjes. Geef zelf de gewenste afmetingen op, zij worden immers niet in serie gemaakt, Klokske 27/4/1978.

Opm.: In de standaardt. wel gewoon in fig. gebr.: (als) aan de grond genageld e.d.; ook in eig. zin van Christus: aan het kruis genageld.

< >