Wat is de betekenis van lel?

2020
2021-09-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

lel

1) (1900) (inf.) klap, trap, schop. Vgl. blindgiek*; doodschop*; hollepieper*; hollewaai*; keek (kekie)*; lep*; optater*; petatter*; pil*; poeier*; ros*; urrut*. • Zeg kok, geef dien hond 'n lel. (L.H.A. Drabber: Het dappere Hollandsche leger. 1900) • Koud! In hartstikke Augustus? Dat is maar aanstellerij.... Je mot 'm is een haaige lel...

Lees verder
2019
2021-09-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lel

lel - Zelfstandignaamwoord 1. klap, mep, oplawaai, schop Hij gaf zijn kameraad een enorme lel toen hij boos was. 2. kanjer Iedereen krijgt een lel van een stuk papier om zijn gedachten op te schrijven. 3. loshangend stukje vel zoals bij een oor...

Lees verder
2017
2021-09-18
Voetballers

Jargon & Slang van Voetballers

Lel

Lel - een zeer hard schot. Syn.: kogel, knoert, loeier.

2017
2021-09-18
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Lel

Lel is in 1906 voor het eerst opgetekend, in de uitdrukking een haaie lel voor 'een grote borrel'. Deze uitdrukking werd opgenomen in een Bargoens woordenboekje. Volgens een Bargoense woord- verzameling uit 1937 kon lel tevens 'groot glas' betekenen, en kon je ook een lel hier bestellen. De gangbare betekenis van lel is natuurlijk: 'klap, stoot, op...

Lees verder
2014
2021-09-18
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

lel

(slecht stuk vlees), ordinaire vrouw, del: Hij had de liederlijkste lellen den branderigen wellust-mond met heete zoenen volgeslobberd, QUERIDO 1, 160.

2007
2021-09-18
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

Lel

ordinair (vrouwspersoon; vuile, gemene meid. Wat verbeeldde ze zich wel, die kakmedam! Wat was ze nou zooveel anders as de gewone lelie? (Frans Coenen, Zondagsrust, 1902) Hij had de liederlijkste lellen den branderigen wellust-mond met heete zoenen volgeslobberd. (Israël Querido, De Jordaan, 1912-1925)

Lees verder
1977
2021-09-18
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

lel

lel - 1°. In de verbinding de lel gaten, coïteren (vgl. parelgaten). waarin lel eig. ‘oorlel’ is. Steve wil de lelie gaten Doch de stempel (= penis, V.) wort te moe, Quartier d. Amst. Mane-Schijn C 2 r° [1639].2°. Ontuchtige vrouw; eig. ‘bewegelijk stukje vlees'. Hij had de liederlijkste lellen den branderige...

Lees verder
1973
2021-09-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

lel

v. /m. (-Ien), 1. beweeglijk, slap neerhangend stuk vlees of vel: de van het oor; (dierkunde) afhangend, naakt, vlezig uitgroeisel aan de kop van vogels; 2. loshangende lap: lellen en bellen; 3. iemand een — geven, een flinke klap om de oren, in het gezicht.

Lees verder
1955
2021-09-18
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Lel

(Barg.) borrel; een taaie lel: een grote borrel.

1952
2021-09-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Lel

s., lel; (van haan), blibbe, blebbe.

1949
2021-09-18
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

lel

borrel. Een haaie lel, een grote borrel.

1898
2021-09-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Lel

LEL, v. (-len), (ontl.) beweeglijk velletje oortel, keellel (of huig); — het lelletje van de tong, de tongriem; — lapje onder aan den snavel of kop van sommige hoenderachtige vogels; — (fig.)loshangende lap lellen en bellen; — (gemeen) ontuchtig vrouwspersoon. LELLETJE, o. (-s).

Lees verder