Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 04-12-2017

lel

betekenis & definitie

lel - Zelfstandignaamwoord
1. klap, mep, oplawaai, schop
Hij gaf zijn kameraad een enorme lel toen hij boos was.
2. kanjer
Iedereen krijgt een lel van een stuk papier om zijn gedachten op te schrijven.
3. loshangend stukje vel zoals bij een oorlel
4. slordige vrouw

lel - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lellen
♢ Ik lel
2. gebiedende wijs van lellen
lel!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lellen
lel je?

Bronvermelding