Korten
(kortte, heeft en is gekort), I. overg., 1. in lengte doen verminderen, korter maken : het haar korten; de nagels korten ; een vogel de vleugels korten; — (fig.) iem. de vleugels korten, hem kortwieken, zijn macht besnoeien ; 2. aftrekken, inhouden (bij een betaling): tien gulden op rekening korten; 5 % korten...