Wat is de betekenis van klieren?

2020
2021-05-12
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

klieren

vervelend doen. zich gedragen als een klier; vervelend doen; etteren; klooien. Voorbeelden: Ajoeb zuigt en kliert en houdt pas op als hij weet dat hij met zijn nagels over je ziel is gegaan - een kreng en een macabere kleine psychopaat. Ik bid om de dag dat hij zichzelf tegenkomt, hij zal slapeloze nachten hebben - meer hersens dan f...

Lees verder
2020
2021-05-12
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

klieren

(1935) (inf.) (ww.) zeuren; zaniken; vervelend doen. Syn.: etteren*. • Leg niet te kliere', zegt hij kalm en resoluut. Me neme' d'r nog een! (Jan Campert: Die in het donker. 1934) • Leg nou niet te kliere! (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar, 1935) • Arie moppert er een beetje over. ‘Lig nou niet te k....k....k.... klie...

Lees verder
2019
2021-05-12
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

klieren

klieren - Werkwoord 1. (inerg) zich onaangenaam gedragen Ma, Michel zit weer te klieren! klieren - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klier Woordherkomst afgeleid van klier met het achtervoegsel -en

Lees verder
2018
2021-05-12
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

klieren

klieren - regelmatig werkwoord uitspraak: klie-ren 1. vervelend doen ♢ zit toch niet altijd zo te klieren, Shirley! Regelmatig werkwoord: klie-ren ik klier jij/u kliert ...

Lees verder
1981
2021-05-12
zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Klieren

bereiden in het plantaardige, dierlijke en menselijke lichaam voor het leven belangrijke sappen. Klieren met uitwendige secretie geven hun sap naar buiten af, b.v. de melk, of in inwendige holten, b.v. maagsap, darmsap en gal. De klieren met inwendige secretie geven hun sap, een hormoon, regelrecht aan het bloed af.

Lees verder
1973
2021-05-12
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

klieren

(klierde, heeft geklierd), (plat) zeuren, zaniken: hij kan zo —.

1950
2021-05-12
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Klieren

(klierde, heeft geklierd), (plat) doen als een klier, zeuren, zaniken: hij kan zo klieren.

1949
2021-05-12
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Klieren

(1) (glandulae), organen, die bepaalde stoffen afzonderen. Men noemt het secreet, wanneer het nog in het organisme gebruikt wordt en excreet, wanneer het als afbraakproduct uit hetlichaam verwijderd wordt (b.v. urine). Klieren kunnen een afvoergang naar het uitwendig lichaamsoppervlak hebben (talg-, zweetklieren) of naar inwendige organen (darm, ma...

Lees verder
1933
2021-05-12
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Klieren

(Glandulae), bij planten en dieren die organen, die het vermogen hebben bepaalde stoffen, meestal in vloeibaren toestand, uit of af te scheiden. Zij worden ééncellig genoemd, wanneer afzonderlijke of verspreid liggende cellen klierproducten afscheiden, meercellig, wanneer meerdere kliercellen in groepen of om gemeenschappelijke holten...

Lees verder
1898
2021-05-12
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Klieren

KLIEREN, (klierde, heeft geklierd), (plat) zeuren, zaniken hij kan zoo klieren.