Wat is de betekenis van kennen?

2019
2022-12-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kennen

kennen - Werkwoord 1. (ov) bekend, vertrouwd zijn met Ken je de nieuwe overburen al? 2. (ov) door studie of oefening geleerd hebben Ik ken de leerstof grondig genoeg. 3. het wel moeten ~: vaak ergens door getroffen worden ...

Lees verder
2018
2022-12-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kennen

kennen - regelmatig werkwoord uitspraak: ken-nen 1. weten omdat je het geleerd hebt ♢ ik ken alle steden van Nederland uit mijn hoofd 1. het van buiten kennen [uit het hoofd op kunnen noemen]...

Lees verder
2004
2022-12-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

kennen

- succes kennen, succes hebben Bij andere kenfondsen zou het medisch dossier geen succes kennen en ook bij de CM hinkt Franstalig België ver achterop. - DS, 06-11-2002. - moeilijkheden kennen, moeilijkheden ondervinden - de prijzen kennen een lichte stijging, de prijzen vertonen een lichte stijging

Lees verder
1977
2022-12-06
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

kennen

kennen - geslachtelijke omgang hebben met (vgl. bekennen). Waer ick mi keere oft wende, Mijn man en is niet wel mijn vrient. ey out grijsaert, dat ic u oeyt kende. Want ghi en hebt niet dat mi dient (de echtgenoot is impotent), Antw. Liedb. (ed. VON FAI.LERSLEBEN) XXVI [1544].

Lees verder
1973
2022-12-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kennen

(kende, heeft gekend), (overg.) 1. bij zien of waarnemen weten of weer weten wie of wat men voor zich heeft, iemand of iets weten te onderscheiden van andere personen of zaken, identificeren: aan zijn lange baard is hij gemakkelijk te —; ik zou hem uit duizenden —; aan hun vruchten zult gij ze — (Matt.7,16); (spr.) men kent de vog...

Lees verder
1952
2022-12-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kennen

v., kenne, koe, kend (kennen).

1951
2022-12-06
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Kennen

(kannte; gekannt), kennen; dem Namen nach kennen, van naam kennen; er kennt sich vor Hochmut nicht, hij is door en door trots.

1950
2022-12-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kennen

(kende, heeft gekend), 1. bij zien of waarnemen weten of weder weten wie of wat men voor zich heeft, iem. of iets weten te onderscheiden van andere personen of zaken, identificeren: aan zijn lange baard is hij gemakkelijk te kennen; ik zou hem uit duizenden kennen; aan hun vruchten zult gij ze kennen (Matth. 7 : 16); (spr.) ...

Lees verder
1937
2022-12-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kennen

kende, h. gekend (twee hoofdbet.: a) erkennen; b) bekend zijn met; inz. 1 zich herinneren, wat, wien men voor zich heeft; herkennen; 2 iem. erkennen in een hoedanigheid; iets erkennen; 3 houden voor, achten, rekenen; 4 de overtuiging hebben; 5 weten hoe iets is; 6 door persoonlijke ervaring met iets bekend of vertrouwd zijn; 7 door onderricht, oefe...

Lees verder
1933
2022-12-06
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Kennen

(philos.) is een opnemen in het bewustzijn van wat daarbuiten bestaat. De wijze, waarop dat gebeurt, stemt overeen met den aard van het kennend subject; en zoo kan worden onderscheiden een goddelijk, een zuiver geestelijk, een menschelijk en een zuiver zinnelijk kennen. Het menschelijk k. is abstractief, d.w.z. partieel: het buiten-bewustzijnsding...

Lees verder
1930
2022-12-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

kennen

('kennən) (kende, heeft gekend) 1. waarnemen als van vroeger bekend : aan zijn lange baard is hij gemakkelijk te -; iemand aan zijn stem -; men kent de vogel aan zijn veren of pluimen; aan hun vruchten zult gij ze -; twee of meer personen of zaken (niet) uit elkander -; iemand onder of uit honderden. duizenden -. Syn. → erkennen. 2. in ee...

Lees verder
1926
2022-12-06
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Kennen

is niet hetzelfde als begrijpen. Begrijpen wil zeggen, dat wij met het begrippen vormend verstand een ding omvatten kunnen en het in zijn wezen verstaan. Maar kennen duidt een veel inniger werkzaamheid van onzen geest aan, hoewel het ’t begrijpen niet altijd insluit. Ik kan iemand kennen, zonder dat ik hem geheel begrijp. Kennen is een weten...

Lees verder
1898
2022-12-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kennen

KENNEN, (kende, heeft gekend), eene juiste voorstelling van iets of iem. hebben, iem. of iets weten te onderscheiden van anderen kent ge den heer A. ?; ik ken hem van aanzien; — ik hen hem heel goed; door en door, van zeer nabij, op mijn duim; — wij kennen elkaar heel goed; — aan zijn langen baard is hij gemakkelijk te kennen;...

Lees verder
1898
2022-12-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Kennen

zie Erkennen.

1864
2022-12-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Kennen

Kennen, bw. gel. (ik kende, heb gekend), door de uiterlijke zinnen waargenomen en in het geheugen bewaard hebben; weten, verstaan; kent gij dien man? ik ken mijne les; te - geven, verklaren, weten; ik ken niemand zoo slecht als den ondankbare; zich zelven niet meer -, overmoedig worden, (ook) buiten zich zelven van toorn zijn; (spr.) ken u zelven (...

Lees verder