Wat is de betekenis van heil?

2020
2021-05-09
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Heil

Zie Heile

2019
2021-05-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

heil

heil - Zelfstandignaamwoord 1. welzijn, voorspoed, redding, verlossing Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens) 2. voordeel. Ik zie daar geen heil in. Woordherkomst Afgeleid van heel (onaangetast, volledig). Antoniemen onhei...

Lees verder
1997
2021-05-09
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

heil

zie hel.

1980
2021-05-09
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Heil

Zie Heijl.

1973
2021-05-09
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

heil

[→heel, ongeschonden], o., 1. welzijn, welvaart, voorspoed: hij zorgt voor het — van de staat; tot — van de mensheid; iemand veel — en zegen wensen, zegenwens met nieuwjaar; 2. gelukkige uitkomst, voordeel, baat: daar is geen bij te halen; ik zie er geen in, ik zie niets in dat plan; 3. behoud, redding: zijn — in de v...

Lees verder
1964
2021-05-09
voornamen

Voornamenboek

Heil

I.m -> Heile. II. (Du.) heil- Germ "chailaz; Got. hails ‘gezond'; Oudhoogduits heil 'gezond, gered'; Ndl. heel; Oudsaksisch hêl ‘gezond, ongedeerd'; Oudfries hêl; Oudeng. hêl 'gezond, ongeschonden’, Eng. whole; Oudnoors heill 'gezegend, van goede voortekens begeleid’....

Lees verder
1955
2021-05-09
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

HEIL

zie Heiland.

1952
2021-05-09
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Heil

s.n., heil (it).

1950
2021-05-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Heil

o., 1. welzijn, welvaart, voorspoed: hij zorgt voor het heil van de staat; tot heil der mensheid; iem. veel heil en zegen wensen, zegenwens met Nieuwjaar; moge het u tot heil strekken, heilzaam voor u zijn;— 2.iets gelukkigs, geluk : ’k heb dat heil voor u verzaakt (Staring); 3. gelukkige uitkomst, voordeel, baat : daar is ge...

Lees verder
1898
2021-05-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Heil

HEIL, o. welzijn, welvaart, voorspoed hij zorgt voor het heil van den staat; iem. veel heil en zegen wenschen, zegenwensch met Nieuwjaar; — nut; tot heil der menschheid; moge het u tot heil strekken, heilzaam voor u zijn; — voordeel, baat: daar is geen heil bij te halen; ik zie er geen heil in, ik verwacht van die handelwijze geen doel...

Lees verder
1870
2021-05-09
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Heil

Heil beteekent bij ons en bij onze Duitsche naburen een toestand van volkomenheid. Het daarmede verbondene werkwoord, b|j de Duitschers heilen, is echter bij ons heelen (tot den voormaligen toestand van geheelheid brengen of genezen) geworden. Het woord Heiland, als naam van Jezus gebruikt, is daarvan het tegenwoordig deelwoord, zoodat het woord He...

Lees verder