Wat is de betekenis van gemeen?

2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gemeen

gemeen - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ge-meen 1. bedoeld om te benadelen of te kwellen ♢ het is een gemene streek dat je die poes zo plaagt 2. hevig, heel erg ♢ het is vandaag gemeen koud bu...

Lees verder
2004
2022-10-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

gemeen

<bnl.> gemeen recht, publiek recht. In de praktijk ging men ervan uit dat deze niet gereglementeerde opties onderworpen waren aan het gemeen recht, en dat zij derhalve belastbaar waren bij de toekenning. - Trends, 06-02-2003.

Lees verder
1980
2022-10-06
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Gemeen

De oorspronkelijke betekenis van dit zeer oude woord is: gemeenschappelijk. In die zin zeggen wij nu nog: gemene zaak met iemand maken, de gemene haard enz. Daaruit vloeit voort: niet bijzonder, gewoon, alledaags. Zo spreekt men van de gemene man, een gemeen soldaat. Uit de betekenis: alledaags ontstond die van: waardeloos, gering van hoedanigheid,...

Lees verder
1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gemeen

bn. en bw. (gemener, -st), I. bn., 1. gemeenschappelijk, aan meer dan één eigen of toebehorend: gemene muren, gemene sloten nz., waarop de eigenaars van aangrenzende erven gelijk recht of gelijkelijk betrekking hebben; gemene zaak met iemand maken, met hem gemeenschappelijk handelen, zijn partij kiezen; gemene averij, averij die ten...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gemeen

adj. & adv.; (slecht), gemien leech, min, skobberich, skandalich; — individu, ychelswyn (it), leip; — volk, (rakkerts)reau (it); — koud, fiis kâld; (gewoon), gewoan; — soldaat, sljocht soldaet; (algemeen), (ge)mien; gemene weide, buorfinne, mienskar (it), -sk...

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gemeen

gemener, gemeenst I. bn. (1 toebehorende of eigen aan meer dan één; gemeenschappelijk; 2 openbaar, publiek; 3 gemeenzaam, vertrouwelijk; 4 gewoon, alledaags; 5 gering; ordinair; min, slecht, laag): 1. dat is hun allen gemeen; vrijheid is een gemeen goed; een gemene naam, d.i. eigen aan alle zelfstandigheden van dezelfde soort; voor...

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gemeen

(gə'me:n) I. bn. en bw. (gemener, -st) 1. meer dan één gezamenlijk eigen, toebehorend, betreffend : goed; een gemene muur tussen twee woningen; gemene zaak; voor gemene rekening; op gemene kosten; de gemene vijand; zij hadden alles -; met iemand iets -s hebben, dezelfde hoedanigheid hebben als hij of met hem iets te maken hebben...

Lees verder
1911
2022-10-06
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Gemeen

(gemeenschappelijk), Germ. ga-maini-z, beantwoordend aan ’t Lat. com-munis. Volgens 't Wdb. is munus: verplichting, plicht, ambt; vgl. immuniteit-, vrijstelling van dienstplichten, vooral van belasting. Communis of gemeen zou dan bet.: te zamen verplichting hebben, te zamen verbonden, de gezamenlijke verplichting betreffende, gemeenschap...

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gemeen

Het begrip gemeen heeft 2 verschillende betekenissen: 1. gemeen - GEMEEN, bn. bw. (-er, -st), gemeenschappelijk aan meer dan één eigen of toebehoorende: voor gemeene rekening, op gemeene kosten, voor gemeenschappelijke rekening, op gezamenlijke kosten; — gemeene muren, gemeene slooten enz. waarop de eigenaars van belendende erv...

Lees verder
1870
2022-10-06
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gemeen

Gemeen (Het) is de naam, die gegeven wordt aan het graauw, de heffe des volks, de bewoners der stads-achterbuurten. Het bijvoegelijke naamwoord gemeen heeft om die reden de beteekenis van laag, onkiesch en slecht, ofschoon het ook wel gebruikt wordt in den zin van gewoon of dagelijksch en in dien van algemeen. Zoo had men weleer de Broederschap des...

Lees verder
1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Gemeen

Gemeen, bn. en bijw. aan meer dan één persoon toebehoorende; openbaar, gewoon, alledaagsch; eenvoudig; gering, slecht, onfatsoenlijk, laag; al te vertrouwelijk; op -e kosten, op gezamenlijke kosten; niets - hebben met ..., niets hebben uit te staan met..., in geene betrekking staan tot...; een -e muur, muur tusschen twee perceelen voo...

Lees verder