Wat is de betekenis van flikkeren?

2020
2021-05-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

flikkeren

1) (1860) (plat) gooien, smijten. Syn.: besjoeren*; bonjouren*; donderen*; donderstenen*; flatsen*; flikkerstralen*; jensen*; jetsen*; jonassen*; kankeren*; ketsen*; keutelen*; kieperen*; knikkeren*; kukelen*; kwakken*; lazeren*; lazerstralen*; mieteren*; peunen*; pleuren*; rotten*; sodeflikkeren*; sodehannesen*; sodekankeren*; sodekwakken*; so...

Lees verder
2019
2021-05-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

flikkeren

flikkeren - Werkwoord 1. (inerg) afwisselend meer en minder of helemaal geen licht geven of terugkaatsen De lampjes blijven flikkeren. 2. (inerg), (informeel) vallen Hij is van de trap geflikkerd. 3. (ov), (informeel) gooien ...

Lees verder
2018
2021-05-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

flikkeren

flikkeren - regelmatig werkwoord uitspraak: flik-ke-ren 1. met een zwaai uit je hand loslaten zodat het ergens anders terechtkomt ♢ (plat) hij heeft zijn zoon het huis uit geflikkerd 2. onrustig en snel aan en uit gaan...

Lees verder
1973
2021-05-08
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

flikkeren

(flikkerde, heeft en is geflikkerd), 1. op beweeglijke wijze, onrustig of telkens onderbroken licht afgeven, vlammen of glanzen: een flikkerende vlam; de zon flikkert op het water; oneig. van de ogen en de blik; fig. in toepassing op geestelijk gebied: flikkerende hoop, geest; weerlichten; 2. (plat) snel of met kracht vallen; smijten (m.n. met een...

Lees verder
1952
2021-05-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Flikkeren

v., flikkerje, flierkje, fljirkje fljurkje, giselje, teisterje; voor de ogen —, tipelje; -d, spril.

1950
2021-05-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Flikkeren

(flikkerde, heeft en is geflikkerd), 1. op beweeglijke wijze, onrustig of telkens onderbroken, licht afgeven, vlammen of glanzen : een flikkerende vlam ; vand. ook: een flikkerende kaars; de sterren flikkeren; de zon flikkert op het water; oneig. van de ogen en de blik; flg. in toepassing op geestelijk gebied: flikkerende hoop, gee...

Lees verder
1933
2021-05-08
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Flikkeren

→ Fonkelen (der sterren).

1898
2021-05-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Flikkeren

FLIKKEREN, (flikkerde, heeft geflikkerd), (inz. van sterren) schitteren, fonkelen; — het flikkert, het weerlicht; — de lamp flikkert, het licht danst (wanneer de vlam op- en neergaat); — (volkstaal) hij flikkerde hem op straat, smeet hem krachtig en snel op straat. FLIKKERING, v. (-en), glinstering.

Lees verder