Wat is de betekenis van date?

2020
2020-10-30
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek

date

afspraakje. afspraak met iemand, meestal met de bedoeling dat hieruit een liefdesrelatie voortvloeit; afspraakje met een mogelijke partner; afspraakje. Voorbeelden: Een kwart van de ondervraagde vrouwen heeft wel eens een date gemaakt via het web. News.nl, 2000 Ik heb vanavond een date en nou ben ik toevallig heel erg blut. ...

Lees verder
2020
2020-10-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

date

date - Zelfstandignaamwoord 1. afspraakje     ♢ De jongen maakte een date met het leuke meisje 2. degene met wie men een afspraak heeft     ♢ Het meisje werd verliefd op haar date. date - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daten...

Lees verder
2020
2020-10-30
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Date

Friese naam. Eenstammig verkorte vorm van een Germaanse naam met Daad-, Oudnederfrankisch dât, Oudfries dêd(e): 'daad, werk'.

1999
2020-10-30
Woordenboek van Neologismen

Geschreven door Marc de Coster ©

Date

Date - (Eng.), persoon met wie men een afspraakje heeft; scharreltje; afspraak, rendezvous. ... en Michaja is mijn ‘date’, we gaan veel uit in het weekend. Vrij Nederland, 04-06-88 Hoe willen zij dat vrouwen zich gedragen tijdens een date? Nieuwe Revu, 27-12-96 De meeste romans die zich afspelen in het trendy grotestadsleven van New York worden b...

Lees verder
1994
2020-10-30
Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

date

date - zelfstandig naamwoord uitspraak: deet 1. afspraak tussen twee mogelijke partners ♢ Victor heeft een date met zijn buurmeisje 2. mogelijke partner met wie men een afspraak had ♢ ik was vroeg thui...

Lees verder