Synoniemen van date

2020-02-27

date

Het begrip date heeft 3 verschillende betekenissen: 1) persoon met wie iemand een afspraakje heeft 2) afspraak met iemand, meestal met de bedoeling dat hieruit een liefdesrelatie voortvloeit; afspraakje met een mogelijke partner; afspraakje 3) afspraakje met een onbekende

2020-02-27

Date

Date - (Eng.), persoon met wie men een afspraakje heeft; scharreltje; afspraak, rendezvous. ... en Michaja is mijn ‘date’, we gaan veel uit in het weekend. Vrij Nederland, 04-06-88 Hoe willen zij dat vrouwen zich gedragen tijdens een date? Nieuwe Revu, 27-12-96 De meeste romans die zich afspelen in het trendy grotestadsleven van New York worden bevolkt door jonge, hippe mensen die de hele dag niets anders lijken te doen dan zich, gehuld in designerjeans, al cokesnuivend van de ene party na...

2020-02-27

date

date - Zelfstandignaamwoord 1. afspraakje     ♢ De jongen maakte een date met het leuke meisje 2. degene met wie men een afspraak heeft     ♢ Het meisje werd verliefd op haar date. date - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daten|4=a     * Ik date 2. gebiedende wijs van daten|4=a     * date! 3. (bij inversie) tweede per...

2020-02-27

date

date - zelfstandig naamwoord uitspraak: deet 1. afspraak tussen twee mogelijke partners ♢ Victor heeft een date met zijn buurmeisje 2. mogelijke partner met wie men een afspraak had ♢ ik was vroeg thuis, want mijn date kwam niet opdagen Zelfstandig naamwoord: deet de date de dat...

2020-02-27

Date

Friese naam. Eenstammig verkorte vorm van een Germaanse naam met Daad-, Oudnederfrankisch dât, Oudfries dêd(e): 'daad, werk'.