Wat is de betekenis van daten?

2020
2020-11-24
Neologismen

Instituut voor de Nederlandse taal

daten

een date met iemand hebben of maken; een afspraakje met iemand hebben of maken Als je iemand zoekt in je directe omgeving, dan geef je dat aan door de straal rond je woonplaats aan te klikken waarbinnen je wilt daten. http://www.onehello.nl/ Tom Cruise en Penelope Cruz hebben hun veelbesproken relatie eindelijk openbaar gemaakt tijdens de p...

Lees verder
2020
2020-11-24
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

daten

een date hebben. een date met iemand hebben of maken; een afspraakje met iemand hebben of maken. Aan het daten zijn heeft ook de algemene betekenis van 'afspraakjes maken of daarvoor openstaan'. Voorbeelden: De Belastingdienst heeft met succes geklaagd bij de commissie over misleiding. Relatiebureau Just2Match stuurd...

Lees verder
2020
2020-11-24
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

daten

(1990+) (< Eng. date + n) (jeugd) een afspraak hebben met iemand van het andere geslacht. • (Corriejanne Timmers: Faxen faxte gefaxt. 2000)Je bent aan het daten met Meneer GoedGenoeg. (Claudia Caroll: Je staat in mijn sterren. 2011) • De weken voordat we naar Legoland gingen was Anniek aan het daten met een gita...

Lees verder
2019
2020-11-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

daten

daten - Werkwoord 1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand     ♢ Ik datete hem een tijdje.     ♢ We hebben eerst een tijd gemaild en ge-sms't en daarna pas gedatet. Woordherkomst Afgeleid van het Engelse date (romantische afspraak).

Lees verder
2018
2020-11-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

daten

daten - regelmatig werkwoord uitspraak: dee-ten 1. afspreken met een mogelijke partner ♢ Arianne en Pepijn zijn al een paar weken aan het daten Regelmatig werkwoord: dee-ten ik date jij/...

Lees verder

Gerelateerde zoekopdrachten