Wat is de betekenis van breed?

2020
2021-05-09
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

breed

(1987) (jeugd) mooi. • (Jan Kuitenbrouwer: Turbotaal. Van sociobabble tot Yuppiespeak. 1987) • (Marc Hofkamp & Wim Westerman: Aso’s, bigi’s, Crimi’s. Jongerentaalwoordenboek. 1989) • (C.A.J. Hoppenbrouwers: Jongerentaal: de tipparade van de omgangstaal. 1991)

Lees verder
2019
2021-05-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

breed

breed - Bijvoeglijk naamwoord 1. van grote afmeting in de zijdelingse richting Zo'n Hummer is wel een erg brede auto. 2. het ~ hebben: welvarend zijn Zij hadden het niet zo breed in die akelige tijd. 3. bij een rechthoek de lengte van de...

Lees verder
2018
2021-05-09
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

breed

breed - bijvoeglijk naamwoord 1. met veel ruimte van zijkant naar zijkant ♢ deze straat is breed 1. een brede rug hebben [veel kritiek kunnen verdragen] 2. een brede scheiding h...

Lees verder
2017
2021-05-09
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Breed

Breed - 'zich breed maken': tijdens de eindsprint de ellebogen gebruiken. Germanisme. Betekent eig. zich doen gelden.

1973
2021-05-09
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

breed

breed - bn. en bw. (breder, -st), 1. een grote afmeting hebbend in een richting loodrecht op de lengteas of ten opzichte van de hoogte, gewoonlijk in horizontale richting, zich uitstrekkend links en rechts van degene die ervoor staat: een brede rivier; een brede borst hebben; hij heeft een brede rug, daar kan veel op, gezegd van iemand wie alles te...

Lees verder
1969
2021-05-09
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Breed

Breed; zie A. M. Honhoff.

1952
2021-05-09
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Breed

adj. & adv., breed, wiid; zij hebben het niet —, it soppet by harren net rom, it rib hinget dêr heech, it is dêr gjin breed spul, it giet dêr net út ’e bredens, hja hawwe it net (to) rom ; brede watervlakte, wiid (it).

1950
2021-05-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Breed

bn. en bw. (breder, -st), 1. een grote afmeting hebbend in een richting loodrecht op de lengteas of ten opzichte van de hoogte, gewoonlijk in horizontale richting, zich uitstrekkend links en rechts van degene die er voor staat: een brede rivier, straat; brede schouders, een brede borst hebben; hij heeft een brede rug, daar kan veel op,...

Lees verder
1898
2021-05-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Breed

BREED, bn. en bw. (-er, -st), eene groote afmeting hebbend in eene richting loodrecht op de lengte-as: eene breede rivier, straat; breede schouders, eene breede borst hebben; — (met aangeving eener maat in den accusatief) afmeting loodrecht op de lengte: de kamer is 6 M. lang en 5 M. breed; de sloot is twee meter breed; — een breed voo...

Lees verder