Wat is de betekenis van beginsel?

2019
2022-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

beginsel

beginsel - Zelfstandignaamwoord 1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden Artikel 10: Beginsel van loyale samenwerking (Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG)). 2. eenvoudig grondbegrip van een wetenschap In de wetenschap is een belang...

Lees verder
2018
2022-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

beginsel

beginsel - zelfstandig naamwoord uitspraak: be-gin-sel 1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden ♢ mijn beginsel is dat je je vrienden moet helpen 2. eenvoudigste eigenschappen waar je van uitgaat ...

Lees verder
1973
2022-11-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Beginsel

o. (-en, -s), 1. de beginselen van de rekenkunde, algebra, eenvoudigste eigenschappen, de grondslagen; 2. grondstelling van een systeem of theorie: het beginsel van de wet is, dat ieder naar vermogen evenveel belasting betaalt; 3. stelling, overtuiging, waarnaar iemand handelt, m.n. op het gebied van godsdienst, zedelijkheid en staatkunde, principe...

Lees verder
1952
2022-11-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Beginsel

s.n., bigjinsel (it), stelling.

1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Beginsel

o. (-s, -en), 1. aanvang: alle goê beginsels met God, zei de man, en hij sloeg zijn wijf met een kruisbeeld; 2. de beginselen der rekenkunde algebra, eenvoudigste eigenschappen, de grondslagen: 3. oorsprong, datgene waarvan iets uitgaat, waarop het berust: de vreze des Heren is het beginsel der wijsheid (Spreuk. 9:...

Lees verder
1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

beginsel

o. beginsels, beginselen (1 aanvang; 2 eenvoudigste eigenschap, grondslag; 3 oorsprong; 4 overtuiging, principe, grondregel, stelling inz. op godsdienstig, moreel, politiek gebied): 1. alle beginsels zijn moeilijk; 2. de beginselen der planimetrie, meestal in het mv.; 3. de vreze des Heren is het beginsel van alle wijsheid; 4. zijn beginsel liet da...

Lees verder
1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Beginsel

o. (-en, -s) I. mv. (-en) Eig. dat waarmede men, bij het studeren van een wetenschap, begint: -en der meetkunde. II. Metf. 1. Algm. datgene waarin iets zijn oorsprong heeft : de vreze des Heren is het der wijsheid. 2. Inz. stelling, overtuiging waaruit de handelingen voortkomen : godsdienstige, morele, politieke -en; een man van -en, van ernstige,...

Lees verder
1926
2022-11-30
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Beginsel

Reeds in de oude wijsbegeerte is aangetoond, dat men niet tot in het oneindige kan terugredeneeren. Men komt eindelijk tot zekere stellingen, die niet meer kunnen worden bewezen, die van zich zelf duidelijk zijn en den grondslag zijn, waarop de bewijzen rusten. Zoo hebben we in de wiskunde de z.g. axiomas. Niet alleen echter op het gebied van de wi...

Lees verder
1898
2022-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Beginsel

BEGINSEL, o. (-s, -en), het is slechts een beginsel eerste proeve (van een leerling); — de beginselen der rekenkunde, algebra, eenvoudigste eigenschappen, de grondslagen; — oorsprong van iets, datgene waarvan iets uitgaat, waarop het berust: het beginsel der wet is, dat ieder naar vermogen evenveel belasting betaalt; de vreeze des Heer...

Lees verder