Wat is de betekenis van Abt?

2019
2021-06-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

abt

abt - Zelfstandignaamwoord 1. (religie) (beroep) het hoofd van een abdij Woordherkomst Afkomstig van het Oudgriekse ἀββᾶς abbas (vader), dat op zijn beurt teruggaat op het Aramese אבא abba (mijn vader) Verwante begrippen abdij, broeder, klooster, kloosterorde, mannenklooster, monnik

Lees verder
2018
2021-06-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

abt

abt - zelfstandig naamwoord 1. leider van een klooster ♢ wie in het klooster op bezoek komt, moet zich melden bij de abt Zelfstandig naamwoord: abt de abt

Lees verder
2005
2021-06-22
Autosport ABC

Autosport ABC door Rob Wiedenhoff

Abt

Abt Sportsline is sinds 2000 actief in de DTM met Hans-Jürgen als teamchef en broer Christian als een van de rijders. In 2002 behaalde de Fransman Laurent Aiello de DTM-titel met een Abt-Audi TT-R. De Zweed Mattias Ekström werd in 2004 kampioen met een Audi A4 van Abt. De firma uit Kempten is een bekend Veredler voor het merk Audi.

2004
2021-06-22
Ikonen Lexicon

Geschreven door Karin Braamhorst, 2004

Abt

Abt (gr. aan het hoofd van een omheinde plaats), is de overste van een mannenklooster. Ook: hegoumen (gr.), of: igumen (rus.), of: archimandriet.

1985
2021-06-22
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

ABT

vader, opperbestuurder van een abdij, monnikenkloosters. De abt handhaaft de kloostertucht. bestuurt de goederen van de abdij, heeft de bevoegdheid kloosterlingen te wijden en heeft in enkele gevallen het recht in bepaalde parochies pastoors te benoemen. De abt wordt door de monniken gekozen; door de bisschop gewijd en voorzien van ambtstekenen, zo...

Lees verder
1981
2021-06-22
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Abt

overste van een klooster bij sommige monnikenorden. Hij wordt door de monniken gekozen en door de bisschop gewijd. Hij heeft verschillende bisschoppelijke onderscheidingstekens (borstkruis, ring, mijter, bisschopsstaf).

Lees verder
1973
2021-06-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

abt

abt [Aramees abba, vader], m. (-en), overste van één of meer zelfstandige monnikenkloosters of van een monnikenorde, veelal met voorrecht van mijter en staf ; (spr.) zo de abt, zo de monniken, zo heer, zo knecht. In het vroegste christendom werden zeer in aanzien staande geestelijke leiders ‘vaders’ genoemd, b.v. Antonius de Kluizenaar. Hun geestel...

Lees verder
1955
2021-06-22
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

ABT

(van het Aramese abba, vader) was oorspronkelijk de naam van zeer in aanzien staande monniken. Later werd het de naam van de oversten van monniken, die in een gesloten gemeenschap in een klooster bijeen leefden. Volgens de regel van Benedictus wordt de abt juist omdat hij de plaats van Christus bekleedt heer en abbas genoemd (c. 63). De titel is da...

Lees verder
1952
2021-06-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Abt

s., abt.

1950
2021-06-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Abt

m. (-en), overste van één of meer kloosters, veelal het recht hebbende mijter en staf te dragen; — (spr.) zo de abt, zo de monniken, zo heer, zo knecht.

1949
2021-06-22
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Abt

(van abba, vader), oudt. overste van kloostergemeente, nu overste van een abdij. In Gr. kerk: archimandriet. In orden na ne eeuw gesticht heet overste niet meer A. maar gardiaan, rector, prior, superior. Reguliere A .-en: eigenl. oversten; seculiereA.-en genoten deel van de inkomsten zonder jurisdictie over klooster-gemeenten. Leken-A.-en, A.graven...

Lees verder
1933
2021-06-22
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Abt

kloosteroverste.

1926
2021-06-22
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Abt

(of abbas) Dit was de naam van den man, die aan het hoofd van een klooster gesteld was. Bij een vrouwenklooster sprak men van abdis. De eischen voor een abt waren, dat hij 25 jaar moest zijn en tot priester moest gewijd zijn. Voor abdissen gold de bepaling, dat zij 40 jaar moesten zijn en 8 jaren tevoren reeds de gelofte moesten hebben afgelegd. Ee...

Lees verder
1919
2021-06-22
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Abt

het hoofd van een mannenklooster, die het recht heeft den kromstaf te voeren; mnl. abbet, abt, mv. abde; uit mlat. abbas, gen. abbatis, met de bet. van vader; dit weder uit het Syrisch abba, nog voorkomend in onze bijbelvertaling: „Gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader!”, Rom. 8.15....

Lees verder
1916
2021-06-22
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Abt

Abt van het Aram. Abba, vader, is in sommige kloosterorden de benaming voor den overste van een klooster, bijv. bij Benedictijnen, Cisterciënsers, Trappisten enz. (Bij Dominicanen en Carmelieten noemt men den kloosteroverste: Prior, eerste. Bij Franciscanen Gardiaan, bewaarder. Bij Jesuieten Rector, bestuurder). Sommige abten oefenen niet alleen ge...

Lees verder
1898
2021-06-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Abt

ABT, m. (-en), de overste van één of meer kloosters en veelal het recht hebbende mijter en staf te dragen; — (spr.) zoo de abt, zoo de monniken, zoo heer, zoo knecht.

Lees verder