Wat is de betekenis van aanzienlijk?

2020
2021-03-03
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

aanzienlijk

Het begrip aanzienlijk heeft 3 verschillende betekenissen: 1) vrij groot. vrij groot; aanmerkelijk; belangrijk. 2) in grote of hoge mate. in grote of hoge mate; aanmerkelijk; veel. 3) met aanzien. aanzien genietend door afkomst, stand, vermogen of macht; met aanzien.

Lees verder
2019
2021-03-03
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aanzienlijk

aanzienlijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. voornaam, groot, belangrijk, erg, niet te verwaarlozen Ze was een telg uit een van de aanzienlijkste families van Venetië. Met de handel in verdovende middelen zijn aanzienlijke bedragen gemoeid. ...

Lees verder
2018
2021-03-03
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aanzienlijk

aanzienlijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: aan-zien-lijk 1. behoorlijk groot of veel ♢ Jan heeft een aanzienlijk bedrag op zijn rekening 1. in aanzienlijke mate [ruimschoots, veel]...

Lees verder
1973
2021-03-03
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

aanzienlijk

aanzienlijk - bn. en bw. (-er, -st), 1. door stand, vermogen of macht boven anderen verheven: een aanzienlijke familie; van aanzienlijke huize; zelfst.: de aanzienlijken; 2. belangrijk, groot: een aanzienlijke som (gelds), zeer groot.

1950
2021-03-03
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Aanzienlijk

bn. en bw. (-er, -st), 1. door standsvermogen of macht boven anderen verheven: een aanzienlijke familie; van aanzienlijken huize; — zelfst. : de aanzienlijken; de aanzienlijksten des lands, de notabelen, de eersten; 2. belangrijk, groot: een aanzienlijkebreedte, hoogte, lengte ; een aanzienlijke som (gelde), zeer groot ', c...

Lees verder
1936
2021-03-03
Koenen woordenboek

Koenen woordenboek 1936

aanzienlijk

1 bn., bw. (1 voornaam, 2 6elangrijk; groot): 1 een -e familie, deftig, rijk; 2 een -e lengte’, een vermogen; 2 -en, m. mv. (voorname personen); zie notabelen.

Lees verder
1898
2021-03-03
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Aanzienlijk

AANZIENLIJK, bn. en bw. (-er, -st), door stand, vermogen of macht boven anderen verheven: eene aanzienlijke familie; — de aanzienlijksten des lands, de notabelen, de eersten; — aanzien gevende: van aanzienlijken huize; — eene aanzienlijke som (gelds), zeer groot, — (Z. A.) schoon om aan te zien, welgemaakt, mooi gevormd:...

Lees verder