Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Gepubliceerd op 11-07-2022

Blok

betekenis & definitie

z.n.o. - In ’t algemeen een klompvormig stuk houts: op schepen wordt het meer byzonder gebruikt voor: katrol en beteekent dan zoodanig Blok, ’t welk van eene of meer keepen is doorsneden, binnen welke eene of meer schijven van pokhout of gegoten ijzer vastzitten, die zich vrij bewegen om houten of ijzeren, door het lichaam van het blok heen loopende spillen. Van zoodanige katrollen in ’t mv. sprekende, zegt men niet: de Blokken, maar de Bloks. - Enkel blok (dat maar een schijf heeft).

Dubbel blok (dat er twee nevens elkander heeft). Geinblok, Jijnblok (groot blok dat er onderscheidene nevens elkander heeft). Drieschijfs blok Drieschijfs Geinblok Dubbele bloks voor geschuttalies. Vioolbloks (die uit twee nevens elkander geplaatste bloks bestaan elk met maar eene schijf). Marsschootsbloks (die uit twee boven elkander geplaatste bloks bestaan) Katblok (dat drie schijven heeft. Plat blok (waarvan het lichaam plat is: als dit het geval is met de bloks aan de hoofden der masten, en met de hangerbloks voor de marse-draai-reep. Kinnebaksbloks (waarvan de zijde opengesneden is om het touw te laten doorloopen, zoodat men niet noodig heeft, om dit door een opening in de keep te brengen). Schootbloks (die men voor de schoot van het Blindzeil plach te gebruiken). Spoelvormige bloks (die den vorm van een schietspoel hebben. Op den top van de bezaan gehecht, dienen zy om de bagijns-toppenants te doen doorloopen). Wartelbloks, Draaibloks (die, in groot aantal en vertikaal geplaatst, horizontaal kunnen draaien, als de bloks voor de buik- en dempgordings. Voetbloks (die alleen dienen om een gespannen touw een andere richting te doen nemen). Leibloks (die geplaatst zijn om een touw zijn richting te doen bewaren) Buikgording- en geitouwbloks (die onder of op de nok van een ra geplaatst, dienen tot doortocht der gordings of schooten en geitouwen van een bovenzeil). Kardeelbloks (die in ’t midden van een ra zijn geplaatst voor de kardeelen der onderraas en de draaireepen der marsen). Toppenantsbloks (waar de toppenants door moeten). Stengelwindreepbloks (die men bezigt om een mars op te brengen). Stagbloks (die aan het einde der stags geplaatst zijn). Gordingblok, Draaireepblok, Geitouwblok, Talieblok enz. Topreepbloks (dienende om een schip dat by ’t kalefateren op zijde ligt, weder op te heffen). Drilbloks (zware en lange bloks, waarmede men de schepen in of uit de dokken trekt). Kielbloks, (dienende om de masten op een schip te brengen). Straatblok, Haakblok enz. (waarvan de strop met een zweep, een haak enz. voorzien is). Men heeft Twee-, drie-, vier-, tot achtschijfsbloks.Spreekwijze: Het schijfjen in 't blokjen (de zaak is in orde).