XYZ van Amsterdam

J. Kruizinga, Gerrit Vermeer (2002)

Gepubliceerd op 22-06-2018

Hogesluis

betekenis & definitie

Hogesluis - De Hogesluis was lang de langste brug van A. In 1662 werd op voorstel van burgemeester Hudde* dit bouwwerk, half brug, half verdedigingswerk, door Daniël Stalpaert* over de Amstel* gebouwd. Met haar 35 gemetselde bogen was de brug een bezienswaardigheid. Onder de oostelijke bogen lagen in de 17de eeuw de

ijsbreker, het trekjacht van de stad en dat van de Admiraliteit*. In de Franse tijd zou de brug wel "Pont des Amoureux" genoemd zijn. Volgens Ter Gouw* moest de bijnaam echter "Samereuzenbrug" zijn geweest, naar de grote rijnschepen die door de Amstel naar de stad voeren. Deze rijnschepen werden Samereuzen genoemd (samenvoeging van Sambre et Meuse) en dit zouden de Fransen hebben vertaald als "Pont des Amoureux". In 1883 besloot men tot afbraak van de brug ter wille van de tram, waarvoor zij veel te hoog was. Opvallend voor die tijd, waarin zoveel moois en ouds verdween, werd ditmaal geprotesteerd. De stadsarchitect W.H.

Springer*, die de nieuwe, kortere en veel lagere Hogesluis bouwde, kreeg over zijn schepping het een en ander te horen. Een stroom van hekeldichten brak los, vooral in het weekblad De Amsterdammer*, onder de titel "Lagesluispoëzie". Nadat in 1929 afsluithekken waren aangebracht en in 1934 de vallen vernieuwd waren, werd de Hogesluis in 1972 in een ontwerpmonumentenlijst opgenomen. In 1976 werd besloten om door de beide keldervloeren een serie boorpalen aan te brengen, teneinde het nodige aanvullende draagvermogen te verkrijgen. Voor de railovergang van de tramsporen is een geheel nieuwe constructie ontwikkeld, die een soepele overgang van de ene brugklep naar de andere waarborgt. De stalen basculekleppen werden vernieuwd, evenals de bewegingswerken en de beide rijdekken, waardoor de brug een jaar was gesloten. In 1992 kregen de koperen lantaarns op de brug weer hun oorspronkelijke kleuren blauw, rood en goud terug.

LIT. J.H. Kruizinga, Amsterdam, stad der duizend bruggen, 1973, 85.