Gepubliceerd op 07-05-2020

boom

betekenis & definitie

1) (1902) (inf.) borrel.

• Dat de dronkenschap in ons vaderland eene.. .. geliefkoosde volkszonde is — men zou het haast opmaken uit het buitengewoon aantal uitdrukkingen en spreekwoorden, die op de dronkenschap betekking hebben. Hoeveel namen heeft niet ons volk „voor een teugje sterken drank." Een borrel, een slok, een slokje, een klokje, een hapje, een spatje, een zoopje, een wippertje, een bel, een boom, een taaie, een klodder, een opperwachtmeester enz. De laatste naam schijnt aan te duiden, dat onze militairen (te paard of te voet) niet bang zijn voor een slok. Naar kleur of smaak heet de borrel een klare, een oranje een citroentje, een bittere, een citrie een dun gesnedene (licht geel). (Tilburgsche Courant, 14/09/1902)

2) (1988) (televisie) erg lange microfoonhengel, gebruikt door de geluidsman. Stelt deze laatste in staat om dichter bij de acteurs te komen, zonder zelf in beeld te komen. De positie van de microfoon kan hiermee erg flexibel geregeld worden. De Nederlandse term is hengel.

• (Henk Vreekamp: Journalistiek begrippenlijst. 1988)
•De boom met microfoon kan evenals andere handmicrofoons op een lichte, uitschuifbare glasfiber of carbonhengel worden geplaatst. (Gérard Bueters: Handboek voor televisiemakers. 2002)