Zinnen, proposities, uitspraken betekenis & definitie

Een zin is een verzameling van een of meer woorden in een natuurlijke of kunstmatige taal, mits de verzameling is geconstrueerd volgens de regels van de grammatica en op zichzelf kan worden gebruikt om te beweren, te vragen, te bevelen enzovoort. Een zin heeft soms geen betekenis en één zin kan meerdere betekenissen hebben. ‘Ik zag haar’ kan betekenen dat ik een vrouw zag of hoofdhaar; maar volgens sommigen hebben we hier twee verschillende zinnen.

Een en dezelfde zin kan verschillende rollen spelen: ‘de compagnie houdt vanmiddag parade’ kan een voorspelling (dus een soort bewering) of een bevel zijn. In kunstmatige talen van het soort dat in de formele logica wordt gebruikt worden zinnen vaak welgevormde formules genoemd (zie axiomastelsel), en de grammaticale regels formatieregels of syntactische regels. Zulke talen worden gewoonlijk zo ontworpen dat ze het betekenisloze en ook het paradoxale (bijvoorbeeld ‘deze zin is onwaar’) uitsluiten. Een open zin is een prepositionele functie of vol- zinsfunctie. Een eeuwige zin (Quine) is een zin zonder werkwoordstijden en andere tekenreflexie ve termen; het werkwoord ervan staat in de ‘tijdloze tegenwoordige tijd’ (‘Chaucer is eerder dan Shakespeare’), zodat als iemand die hem bij een bepaalde gelegenheid gebruikt de waarheid spreekt, ieder ander die hem bij een andere gelegenheid gebruikt eveneens de waarheid spreekt. (Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld ‘het is erg warm’, wat vandaag waar en morgen onwaar kan zijn.) In de filosofie heeft men zich vooral bezig gehouden met indicatieve of beweringszinnen, d.w.z. zinnen die geschikt zijn om er beweringen mee te doen.

In natuurlijke talen worden zinnen gewoonlijk zodanig gedefinieerd en onderscheiden dat ze vaak meerduidig of betekenisloos zijn. Daarom heeft men proposities ingevoerd. Deze leveren ons iets dat gemeenschappelijk is aan zinnen in dezelfde taal of in verschillende talen die hetzelfde betekenen (‘ik heb het warm’ en ‘j’ai chaud’), of aan uitingen die niet hetzelfde betekenen maar die hetzelfde zeggen (‘ik heb het warm’ als door mij gezegd en ‘u hebt het warm’ als door u tegen mij gezegd), of aan een bewering en de overeenkomstige vraag of opdracht (‘de deur is dicht’, ‘is de deur dicht?’ ‘doe de deur dicht’). In deze laatste context lijken proposities op het frastische , behalve dat ze in de indicatief worden uitdrukt en daardoor, in tegenstelling tot het frastische, dat wat asserteerbaar (beweerbaar) maar niet-geasserteerd is kunnen voorstellen (‘sneeuw is wit’ kan geasserteerd worden, maar wordt niet geasserteerd in ‘als sneeuw wit is dan ...’). Of proposities evenzo niet gestelde vragen, niet gegeven bevelen enzovoort kunnen voorstellen is een ander probleem. Proposities kunnen ook worden opgevat als dat wat waar of onwaar kan zijn en als dat wat door logische relaties als gevolg (volgt uit) wordt gerelateerd. En ten slotte zijn ze dat wat we geloven, wensen, oordelen enzovoort. (Geloven, wensen enzovoort zijn propositionele houdingen. Handelingen als oordelen, die op een bepaald tijdstip plaatsvinden, zijn propositionele handelingen. Al deze werkwoorden zijn propositionele werkwoorden)

Een groot probleem met proposities is hoe ze geïndividueerd moeten worden, d.w.z. hoe we moeten vaststellen dat we met de ene dan wel met een andere te maken hebben. Deze moeilijkheid kan vermeden, of op zijn minst verkleind worden als we een propositie opvatten als een zin in een van zijn betekenissen, aangenomen dat het duidelijk is wanneer een zin de ene betekenis heeft en wanneer een andere. Op deze wijze werden proposities vroeger meestal behandeld, voordat de problemen die men er later mee wilde oplossen urgent werden. Het maakte ze minder bruikbaar voor het verklaren van bijvoorbeeld vertaling of woordeloze gedachten, waarbij hetzij meer dan één zin, hetzij helemaal geen zin in het spel lijkt te zijn. Een ander probleem is hoeveel rollen proposities tegelijk kunnen spelen. Om bij bovenstaande voorbeelden te blijven: kunnen ze iets gemeenschappelijks verschaffen voor ‘ik heb het warm’ en ‘j’ai chaud’, en tegelijk voor ‘ik heb het warm’ en ‘u hebt het warm’, waarbij het laatste door u tegen mij wordt gezegd? In het begin van deze eeuw hadden Moore en Russell veel over proposities te melden. Ayer heeft ze opgevat als logische constructies uit synonieme zinnen. Men kan proposities gestandaardiseerd weergeven door ‘dat’-zinnen (‘dat alle katten zwart zijn’).

Enkele van deze moeilijkheden hebben ertoe geleid dat men uitspraken invoerde, hetzij in plaats van hetzij naast proposities. Uitspraken, gewoonlijk opgevat als dat wat waar of onwaar kan zijn, zijn of wel dateerbare uitingen die tamelijk gemakkelijk te individueren zijn (‘hij deed zijn uitspraak voor de lunch’), of, meer gebruikelijk, de inhoud van zulke uitingen, dat wat gezegd wordt (‘die uitspraak wordt vaak gedaan’). Iets van de opvatting van uitspraken als dateerbare uitingen is nog bespeurbaar in het gevoel dat iets dat asserteerbaar is maar niet geasserteerd wordt (vgl. ‘sneeuw is wit’ hierboven) beter een propositie dan een uitspraak kan worden genoemd, en in het feit dat uitspraken, veeleer dan proposities, tegenover vragen, bevelen enzovoort worden gesteld. Desgewenst kunnen we de begrippen uitspraak en propositie beide benutten door uitspraken op te vatten als dat wat er gemeenschappelijk is in ‘ik heb het warm’ en ‘jij hebt het warm’, gezegd van een en dezelfde persoon, en proposities als wat er gemeenschappelijk is in ‘ik heb het warm’ en ‘j’ai chaud’, of in ‘ik heb het warm’ als gezegd door verschillende mensen (Lemmon).

Er zijn talloze individuele verschillen in het gebruik van ‘propositie’ en ‘uitspraak’ (zie Ayer voor nog een ander gebruik van ‘uitspraak’ (‘statement’)), maar het is voornamelijk met het oog op natuurlijke talen dat ze van elkaar en van ‘zin’ moeten worden onderscheiden. Dit houdt verband met tekenreflexieve termen, die maken dat een zin niet alleen meerduidig kan zijn, maar waar of onwaar of geen van beide al naar gelang van wie hem uitspreekt. Daarom is het onderscheid niet nodig in formele systemen (zie axiom astelsel), noch in de gewone taal voor zover die in de taal van een formeel systeem (bijvoorbeeld de theorie der beschrijvingen) kan worden vertaald, of voor zover we de verschillen kunnen negeren. Voor vele doeleinden worden de drie termen, en in het bijzonder ‘propositie’ en ‘uitspraak’, door elkaar gebruikt.

Singuliere uitspraken of proposities prediceren iets van één enkel subject, zoals in ‘Socrates is wijs’, ‘Socrates is niet wijzer dan Plato’, en staan tegenover algemene uitspraken, die universeel kunnen zijn: ‘alle katten zijn zwart’ (‘al Jans katten zijn zwart’ is universeel in de meeste maar niet alle duidingen), of particulier: ‘sommige katten zijn zwart’, ‘er bestaan zwarte katten’ (vgl. kwantorwoorden). Een gemengde algemene uitspraak bevat de beide voornaamste kwantoren (zie kwantificatie) of hun gedefinieerde equivalenten (‘elk mens heeft enkele fouten’). Soms wordt ‘algemeen’ gebruikt in plaats van ‘universeel’. Zie logisch atomisme voor atomaire en moleculaire proposities. Zie ook feit, oordeel, taalhandelingen.

G. Ryle, ‘Are there propositions?’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1929-30. (Het voor en tegen van substantiële proposities, d.w.z. van proposities als op zichzelf bestaande entiteiten.)
G.E. Moore, Some Main Problems of Philosophy, 1953 (voordrachten uit 1910-n). (Bevat belangrijke uiteenzettingen over proposities. Zie pp. 262-266 voor een moeilijkheid met onware proposities.)
B. Russell, Logic and Knowledge, 1956. (Verzameling artikelen. In ‘The philosophy of logical atomism’ en ‘On propositions’ worden proposities besproken; ‘On Propositions’ geeft zijn latere opvatting weer. Zie pp. 222- 224 over de problemen die onware proposities oproepen.)
R. Carnap, Introduction to Semantics, 1942, §37. (Meerzinnigheid van ‘propositie’.)
A. Church, ‘On Carnap’s analysis of statements of assertion and belief, Ana- lysis, vol. 10,1950, met Carnaps antwoord ‘On belief sentences’ herdrukt in M. Macdonald (red.), Philosophy and Analysis, 1954. (Pleidooi voor substantiële proposities, vgl. het artikel van Ryle hierboven.)
A J. Ayer, Language, Truth and Logic, 1936. (Zie de index in de herziene uitgave van 1946.)
ej. Lemmon, ‘Sentences, statements and propositions’, in B.A.O. Williams enA. Montefiore (red.), British Analytical Philosophy, 1966. (Voor kritiek hierop zie R.T. Garner, ‘Lemmon on sentences, statements and propositions’, Analysis, vol. 30,1970.)
A. Stroll, ‘Statements’, in A. Stroll (red.), Epistemology, 1967.
W.V. Quine, Word and Object, 1960. (Zie pp. 35-36 voor occasionele zinnen (zie vertaling, onbepaaldheid van) en ‘standing sentences’.)