Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 20-08-2018

Vriendschap

betekenis & definitie

Vriendschap is in het algemeen de wederzijdsche toegenegenheid van personen, welke voortvloeit uit het besef van uit- of inwendige overeenkomst. Dat besef onderscheidt haar van bloote sympathie, uit onbewuste overeenstemming geboren, en die overeenkomst van de liefde, welke uit tegenstelling en wederkeerige aanvulling ontstaat. Is de vriendschap enkel gelegen in uitwendige overeenkomst (bijv. gelijkvormigheid van afkomst, van stand, van ouderdom enz.), dan noemt men haar eene oppervlakkige vriendschap, maar ontstaat zij uit inwendige overeenkomst (bijv. gelijkvormigheid van smaak, gevoelens en gezindheden), dan draagt zij den naam van vriendschap des geestes, van een verbond der zielen. Deze is de ware vriendschap, terwijl de eerstgemelde soort eigenlijk niets anders is dan een kameraadschap.

Het gelijksoortige is in de ware vriendschap tevens het verhevene, zoodat deze steeds vergezeld gaat van achting. Zij verheft zich boven de ongelijkheid van uitwendige zaken (rang, stand, sekse enz.) en bekreunt zich niet om verschil van afkomst of vermogen. Dat leert de geschiedenis in het voorbeeld van Alexander en Hephaestion, van Karl August en Göthe en op het gebied der verdichting dat van don Carlos en Posa. De vriendschap van Göthe en Schiller is voorts een bewijs, dat aanvankelijke koelheid in warme vriendschap veranderen kan. Toch mag men in de vriendschap, in vergelijking met de liefde, een zelfzuchtigen trek niet miskennen De liefde gevoelt zich aangetrokken door het omgekeerde, maar de vriend bemint in den vriend het evenbeeld van zich zelven. De gloed der vriendschap dooft, zoodra de overeenstemming ophoudt, terwijl de liefde vooraf weet, dat zij naar het tegenovergestelde zich uitstrekt en bij het verdwijnen van dit laatste in vriendschap verandert. Bij de Grieken waren Achilles en Patrocles, Orestes en Pylades voorbeelden van ware vrienden, en Aristóteles, wijdde het 7de en 8ste boek zijner „Ethica” aan de vriendschap.

In de geschiedenis der Israëlieten vindt men David en Jonathan als ware vrienden genoemd. De oude Germanen sloten vriendschap in leven en dood, en onder de Romeinen was de vriendschap van C. Laelius en P. Scipio, alsmede die van Atticus en Cícero vermaard. Laatstgenoemde schreef een afzonderlijk boek over de vriendschap (de Amicitia). Onze Vaderlandsche geschiedenis wijst ons op de vriendschap van prins Willem III en Bentinck. Zeer waar is de Latijnsch spreuk: „Amicus certus in rencerta cernitur (vriendentrouw blijkt in nood)”. Het tegendeel der vriendschap is vijandschap.