Naarssen betekenis & definitie

Johannes van Naarssen, een verdienstelijk Nederlandsch letterkundige, geboren te Dordrecht den 9den November 1580, studeerde te Leiden, vervaardigde reeds vroeg Latijnsche gedichten, knoopte betrekkingen aan met beroemde mannen en werd eerst predikant te Grave en toen te Bommel. Daar hij zich aan de zijde schaarde der Remonstranten, werd hij afgezet en vervolgd en begaf zich buiten ’s lands, waar hij zich op de geneeskunde toelegde.

In 1620 keerde hij terug en werd 2 jaar later te Rotterdam in hechtenis genomen. In jokkernij, zoo het heette, ontnam hij aan de dochter van den cipier de sleutels van zijn kerker, sloot haar op met zijne vrouw, die hem was komen bezoeken en van het voornemen wist, in zijn eigen hok, begaf zich naar Zweden en bezocht vervolgens Denemarken, Moscovië en Pruissen. Weldra werd hij lijfarts en historieschrijver van Gustaaf Adolf, koning van Zweden; ook was hij oorzaak, dat Hugo de Groot in Zweedschen dienst trad. In gunstiger tijd keerde van Naarssen naar het Vaderland terug, vertrok in 1635 naar Batavia als buitengewoon raad van Indië, en overleed aldaar in 1637.

Van zijne geschriften vermelden wij: „Riga devicta ab augustissimo principe Gustavo Adolpho etc. (1625)”, — „Neva Pomerelliae obsidione Polonorum liberata etc. (1627)”, — „Gustavidos, sive de bello Sueco-Austriaco libri tres (1622)”, — „Gustavus saucius, tragoedia etc. (1633)”, — en „Gustavidos, sive de bello Sueco-Austriaco liber quartus.”

Laatst bijgewerkt 10-08-2018