Naamval betekenis & definitie

De zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden of de woorden, die als zoodanig of in de plaats van deze gebruikt worden, kunnen in den volzin in verschillende betrekkingen voorkomen en wel als onderwerp, voorwerp of bepaling, — alsmede als aangesproken, als handelend, als wordend, als Iijdend enz. In het Grieksch en Latijn wordt die toestand aangewezen door den uitgang. Men onderscheidt in het Latijn in het enkel- en meervoud 6 naamvallen, te weten: nominativus, genitivus, dativus, accusativus, vocativus en ablativus. In het Grieksch wordt de naamval ook nog aangeduid door het lidwoord.

Een zelfstandig naamwoord staat als onderwerp, als wordend, als lijdend in den eersten, als voorwerp in den vierden en als aangesproken in den vijfden naamval, terwijl door de overige 3 naamvallen andere betrekkingen worden uitgedrukt. In de nieuwere talen zijn de naamvallen aanduidende uitgangen der zelfstandige naamwoorden, te zamen de verbuiging vormende, nagenoeg verdwenen. In het Nederlandsch heeft men de achtervoeging der s (des vaders) in den tweeden naamval, — somtijds ook der e (den lande) in den derden. Wij hebben eigenlijk slechts drie naamvallen; de zelfstandige naamwoorden worden als onderwerp of als aangesproken in den eersten, als voorwerp in den tweeden en als bepaling in den derden geplaatst. Voor andere Grieksche en Latijnsche naamvallen bezigen wij voortzetsels, die den tweeden naamval achter zich hebben. Ook de lidwoorden, voornaamwoorden, deelwoorden en bijvoegelijke naamwoorden worden verbogen en hebben dus naamvallen.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018