Laach betekenis & definitie

Laach, van het Latijnsche lacus (meer), of Abbatia Lacensis is de naam van eene weleer rijke en vermaarde abdij der Benedictijnen op den Eifel in het arrondissement Mayen van het Pruissisch district Coblenz, l1/2 geogr. mijl ten westen van Andernach aan de Rijn. Zij werd in 1033 gesticht, verrees van 1093 tot 1156, en verviel in 1802. Hare deftige gebouwen, sedert 1820 het eigendom der familie Delius, zijn thans dienstbaar gemaakt aan den landbouw. De kerk, voorzien van een koepel, 5 torens, eene crypt en prachtige versierselen, in haar geheel het merkwaardigste gedenkteeken van Romaansche bouwkunst in de Rijnprovincie, behoort aan de regéring, maar er wordt geene godsdienstoefening meer gehouden. — Het Laachermeer, ten noorden van die kerk gelegen, is het grootste en vermaardste kratermeer in het Eifelgebergte.

Het ligt bijna 300 Ned. el boven de oppervlakte der zee, is 70 Ned. el diep en heeft bij eene nagenoeg komvormige gedaante een omtrek van 2 uren gaans. Het water is helder, blaauw, zeer koud en onaangenaam van smaak; het bevat veel snoek en werpt, door den wind bewogen, eene soort van zand op den oever, dat door den magneet aangetrokken wordt. Het ontlast zich door een kunstmatig aangelegd kanaal in de Nette. Op den oostelijken oever, omstreeks 3 Ned. el boven den waterspiegel, bevindt zich eene kloof, waar koolzuur uit den bodem oprijst, zoodat honden en dergelijke dieren er den dood der verstikking sterven. Ook ontspringt nabij het meer eene minerale bron.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018