Kweekplanten betekenis & definitie

Kweekplanten noemt men zoodanige gewassen, welke de mensch met een of ander doel aankweekt in een land, waar zij niet in het wild groeijen. Door het aankweeken op geschikte, wéltoebereide gronden verandert gewoonlijk de aard der gewassen, zoodat zij de voorkeur verdienen boven die, welke in het wild te vinden zijn. Intusschen zijn de kweekplanten veelmeer aan ziekten onderworpen. Men verdeelt kweekplanten naar het oogmerk, waartoe zij dienen, in: granen, moeskruiden, voedingsgewassen, nijverheids- en handelsgewassen, ooftboomen, woudboomen en sierplanten.

De graanplanten (cerealia) behooren bijna uitsluitend tot de familie der Grassen, zooals rogge, tarwe, gerst, gierst, haver enz. Daartoe evenwel rekent men ook de boekweit uit de familie der Polygoneën. — Van de moeskruiden gebruikt men in de keuken vooreerst de wortels, zooals van eigenlijke wortels, rapen, sellerij, radijs enz., of de knollen, zooals van aardappels, of de bollen, zooals van prei, uijen enz, of de bladeren, zooals van kool, spinazie, salade, andijvie, pastelein, kervel, peterselie enz., of de stengels, zooals raapstelen, aspergies enz., of de bloemen, zooals van bloemkool, of de vruchten, zooals van augurken, komkommers, meloenen enz., of eindelijk de zaden, zooals van boonen, erwten, dille, venkel, mosterd enz. — De voederplanten worden ten behoeve der huisdieren verbouwd. Hiertoe behooren klaver, spurrie, paardeboonen, knollen en een groot aantal grassoorten. — Tot de handelsgewassen rekent men: kaardedistels, tabak, cichorei, hop, meekrap, vlas, hennep, katoen, koolzaad, papavers, Roomsche kamillen, zoethout enz. — Van de ooftboomen vermelden wij: kersen, pruimen, abrikozen, perziken, appels, peren, kweeboomen, mispels, kornoeljeboomen, druiven, moerbeziën, velerlei bessen, vijgen, ananassen, amandels, noten enz. — Tot de gekweekte woudboomen telt men zoowel loofboomen, bijv. beuken, eiken, berken, elzen, populieren, wilgen-, esschen- en lindeboomen enz., als naaldboomen, bijv. dennenboomen lorkenboomen enz. — De sierplanten eindelijk splitst men in zulke, die in de opene lucht groeijen, zooals tulpen, leliën, aurikels, pioenen, dahlia’s, hortensia's, en zoodanige, die in de koude en warme kassen verzorgd worden, zooals oranjeboomen, myrten, laurieren, oleanders, granaatboomen, camellia’s, cactussoorten, tropische standelkruiden, palmen, varens, Victoria regia enz.