Kaarsen betekenis & definitie

Kaarsen (De) zijn door het gebruik van gas en petroleum in den laatsten tijd bijna geheel en al op den achtergrond geraakt. Eene halve eeuw geleden bezigde men ze tot verlichting van openbare gebouwen en woonhuizen. Nog heeft men waskaarsen noodig voor de R. Katholieke kerken, — nog worden bij enkele gelegenheden de lustres van paraffine- en stearinekaarsen voorzien, maar de vetkaars is in onzen tijd bijna nergens anders te vinden dan in eene dwergachtige gestalte in een ouderwetschen stallantaren.

De kaarsen worden vervaardigd uit vette zelfstandigheden. Men geeft aan deze den vorm van een cylinder, welke in het midden voorzien is van een pit. Deze, gewoonlijk van katoen, wordt aangestoken. Door de warmte smelt het vet en rijst door de buisvormige vezels omhoog, om er voedsel te verschaffen aan de vlam. Hierdoor ontstaat het gloeijen van fijnverdeelde koolstof, en deze bezit in dien toestand een aanmerkelijk lichtgevend vermogen.

Tot de grondstoffen, waarvan kaarsen vervaardigd worden, behoort het vet van allerlei zoogdieren; voorts was, palmitine- en stearinezuur en vooral paraffine, welke uit teer gewonnen wordt. Men giet de vette stof in metalen of glazen cylinders, in wier midden men katoen gespannen heeft, — of men dompelt de pit bij herhaling in eene gesmoltene, slechts even vloeibare vetmassa. Vetkaarsen moeten gesnoten worden, maar de pit van was- en stearinekaarsen is veel dunner, zoodat zij allengs verbrandt. Daar echter vetkaarsen nagenoeg niet meer gebruikt worden, beginnen snuiters en snuiter bakjes tot de antiquiteiten te behooren.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018