Jacoba betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Jacoba van Beijeren, gravin van Holland, zie Beijeren.

Jacoba, ook Jacobe of Jacobine genaamd, eene dochter van Philibert, markgraaf van Baden-Baden, en Mechtilde van Beijeren. Zij werd geboren den 16den Januarij 1558 en door haar oom in de R. Katholieke godsdienst opgevoed, hoewel hare ouders tot de Protestanten behoorden. Reeds vroeg leidde zij een zeer berispelijk leven en huwde den 16den Junij 1585 met Johann Wilhelm, den zoon van den stompzinnigen Willem IV, hertog van Gulik. Nadat haar gemaal zijn vader in het bewind was opgevolgd, verviel ook hij tot stompzinnigheid, en onder den invloed van Jacoba werd nu het Hof te Gulik het schouwtooneel der ergerlijkste losbandigheden. Hare afgunstige schoonzuster Sibylle zorgde echter, dat Jacoba in 1595 door de Standen des lands bij den Keizer werd aangeklaagd. Nog vóór het einde van het langdurig geding vond men haar in September 1597 geworgd in hare legerstede, en de hofmaarschalk von Schenkern werd met dien moord beticht.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018