Gad betekenis & definitie

Gad (geluk) is de naam van een zoon van den aartsvader Jacob en van Zilpa, de dienstmaagd van Lea. Hij word alzoo het hoofd van een stam, die bij den uittogt uit Egypte ruim 46000 zielen telde en bij den intogt in het beloofde land de voorhoede vormde. Zijn gebied strekte zich uit, ten noorden van dat van Ruben, over eene bergstreek van de beek Jabbok tot aan Jaëser en oostwaarts tot aan Rabbath-Ammon, terwijl de Jordaan en het meer Gennesareth de westelijke grenzen vormden.

Het land was er uitmuntend geschikt voor de veeteelt. — Gad is ook de naam van een Israëlietischen profeet, die David in den tijd zijner omzwervingen met goeden raad ondersteunde en na de troonsbeklimming van dezen Vorst tot diens gunstelingen behoorde. Hij verkondigde aan David het ongenoegen van Jehova over de volkstelling en spoorde den Koning aan, om de dreigende straf door offeranden af te wenden. Men meent, dat hij de tempelmuziek in orde gebragt en met Nathan de lotgevallen van David beschreven heeft.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018