Friesland betekenis & definitie

Friesland, eene Nederlandsche provincie, telt op bijna 60 geogr. mijl ongeveer 300000 inwoners. Zij grenst ten noorden aan de Noordzee, ten oosten aan de Lauwerzee, Groningen en Drenthe, ten zuiden aan Drenthe, Overijssel en de Zuiderzee, en ten westen aan de Zuiderzee. Zij heeft twee aan hare kust liggende eilanden, namelijk Ameland en Schiermonnikoog, en was voorheen verdeeld in 3 landschappen, Oostergoo, Westergoo en Zevenwolden, te zamen 11 steden en 30 grietenijen tellende. Deze vormen met gemelde eilanden de tegenwoordige 43 gemeenten van dit gewest.

De bodem is er laag en van ouds voorzien van vele meren en plassen, waarvan sommige droog gemaakt werden. Thans zijn er nog meer dan 30, van welke wij noemen: Het Heeger-meer met de daarmede verbondene Fluessen, — het Slotermeer, eene ronde waterkom, door welvarende plaatsen (Woudsend, Balk enz.) omgeven, — het Tjeuke-meer, het grootste van allen, — het Sneeker-meer en het Bergumermeer. Er zijn slechts kleine rivieren, zooals de Boom, die van Beetsterzwaag langs Oldeboorn en Akkrum vloeit, benevens de Kuinder (Tjonger) en de Linde, beide in het zuidoosten der provincie, — eindelijk de Lauwers, in het noordoosten dit gewest afscheidend van Groningen. Men heeft er des te meer vaarten. De 3 hoofdkanalen zijn: die van Harlingen naar Dokkumer Nieuwe Zijlen met een aantal zijtakken, zooals van Leeuwarden over Bolsward naar Workum, van Leeuwarden naar Sneek en van Dokkum naar Stroobos, — van Leeuwarden naar Takozijl en de Lemmer, — en van Stroobos naar Stavoren. Deze vaarten zijn bruikbaar voor schepen van aanmerkelijken diepgang. Van de Rijks groote wegen is Leeuwarden, als hoofdstad der provincie, het middenpunt; van hier gaan erover Heerenveen naar Overijssel, over Buitenpost naar Groningen, over Franeker naar Harlingen, en over Sneek naar de Lemmer, welke laatste echter in het begin dezelfde is als de eerste. De spoorweg loopt er van Leeuwarden over Franeker naar Harlingen, waar de reis naar Amsterdam met stoombooten kan worden voortgezet, — van Leeuwarden naar Groningen en van Leeuwarden over Heerenveen naar Meppel.

De vaste kust heeft er eene lengte van 27 uren gaans en is van dijken voorzien, met uitzondering van een gedeelte bij het Roode en Mirdumer Klif. Achter die dijken liggen zwaardere en ligtere kleigronden, en verder in het binnenland zandgronden, afgewisseld door hooge en lage veengronden, die gedeeltelijk vergraven en ook weder gedeeltelijk in bouwen weilanden herschapen zijn. Vele boerderijen der kleistreek zijn naast terpen gebouwd. Hier heeft men uitgestrekte weide- en eenige bouwgronden ten gezamenlijken bedrage van 80%, terwijl in het zuiden en zuidoosten 2% door bosschen zijn ingenomen. Men begroot er de wateren en wegen op 8%, de gebouwen op 1% en de woeste gronden op 9%. De veestapel en de zuivelbereiding zijn er aanzienlijk.

Vee, boter, huiden, kaas, graan, vlas, cichorei en hooi wordt er in groote hoeveelheid uitgevoerd, — vooral boter, waarvan jaarlijks 12 millioen Ned. pond van de Leeuwarder, Sneeker enz. markten over Harlingen naar Engeland wordt 'gevoerd. De fabrieknijverheid is er niet sterk ontwikkeld; toch heelt men er vele steenbakkerijen, pannebakkerijen, kalkbranderijen en cichorei-fabrieken. De veenen leveren er millioenen tonnen turf, en de zeevisscherij heeft er haren zetel op Ameland en in Westdongeradeel, terwijl op de meren ook de palingvangst bloeit. Men heeft er 3 arrondissementen , waarvan Leeuwarden, Heerenveen en Sneek de hoofdplaatsen zijn; ze zijn verdeeld in 14 kantons. Op de volkrijkste plaatsen vindt men er behalve lagere scholen, rijks- of gemeentescholen van middelbaar onderwijs, — voorts Latijnsche scholen of gymnasia.

De inwoners des lands dragen, zoover de geschiedenis reikt, den naam van Friezen. De eersten, zich er welligt een paar eeuwen vóór de aanvang onzer jaartelling vestigend, waren volgens de overlevering afkomstig uit Azië, vanwaar zij onder bevel van Friso (zie aldaar) noordwaarts trokken. Waarschijnlijk echter vormden de eerste ingezetenen dezer gewesten een Germaanschen stam, bij welken nog eenige gedachtenis van den lndischen oorsprong der voorvaderen was overgebleven. Intusschen was Friesland weleer veel grooter dan in onze dagen, zoodat de oude Friezen, bij Tacitus en Plinius vermeld, hunne woonplaatsen hadden van de Kinhem (in het hedendaagsche Noord-Holland) tot aan de Weser en de Elbe. Zij werden verdeeld in Groote Friezen (ten oosten van den Fliestroom) en kleine Friezen (ten westen van den Fliestroom). Toen voorts de Batavieren met de Franken versmolten en meer zuidwaarts togen, hebben de Friezen zich naar die zijde tot aan de Schelde uitgebreid, zonder er evenwel op den duur vasten voet te verkrijgen.

Immers de Zeven vrije Friesche Zeelanden, die in de eerste helft der 9de eeuw een verbond sloten en op den Opstalboom, een begroeiden heuvel bij Aurich, hunne jaarlijksche landdagen hielden, strekten zich zuidwaarts niet verder uit dan tot de reeds vermelde Kinhem. Tusschen deze en het Flie lag het eerste zeeland (ook West-Friesland genoemd, het tegenwoordige Noord-Holland), — tusschen het Flie en de toenmalige Middelzee (bij Leeuwarden en verder zuidwaarts) het tweede, — tusschen de Middelzee en de Lauwers het derde, — tusschen de Lauwers en de Eems (het tegenwoordig Groningen) het vijfde, — en tusschen Eems en de Weser het zesde en zevende, door de Jade gescheiden, — terwijl ten zuidoosten en zuiden van het tweede en derde, te zanion in het hedendaagsche Friesland gelegen, zich het vierde zeeland bevond, bestaande uit het zuidoostelijk gedeelte van het hedendaagsche Friesland met een gedeelte van Drenthe en Overijssel. Dat verbond heeft tot in de 15de eeuw bestaan. Inmiddels bewaarden het tweede, derde en vierde zeeland eene zekere mate van zelfstandigheid, die er eene bepaalde plooi gaf aan het volkskarakter, en dit laatste heeft zelfs in onzen tijd zijne eigenaardigheid niet verloren. Wegens die zelfstandigheid bezit Friesland eene afzonderlijke geschiedenis, welke wij in beknopte trekken zullen mededeelen. Wij zullen daarbij achter de namen der bewindvoerders het jaartal plaatsen, waarop zij hunne regéring hebben aanvaard.

Het eerste tijdperk, loopende van het jaar 313 vóór Chr. tot aan 800 na Chr. is, althans wat de eerste helft betreft, fabelachtig en onzeker. Wat de Friesche Kronijken daaromtrent mededeelen, is niet veel meer dan mythe, sage of duistere overlevering. Zij vermelden dat in dit tijdperk 7 prinsen, 7 hertogen en 9 koningen geregeerd hebben. De prinsen waren Friso (313 vóór Chr.), die ten tijde van Alexander de Groote uit Indië naar het noorden trok en aan het Flie eene stad stichtte, welke hij naar den afgod Stavo met den naam van Stavoren bestempelde, — zijn zoon Adel (245 vóór Chr.), die tegen de Noormannen streed en verordeningen op de gastmalen invoerde, — zijn zoon Ubbo (151 vóór Chr.), die Keulen gesticht heeft, — zijn zoon Asinga Ascon (71 vóór Chr.), die Stavoren van muren voorzag, — Diocarus Segon (11 na Chr.), een neef van den voorgaande, onder wien de Friezen tegen de Romeinen opstonden, — Dibbald Segon (46 na Chr.)., een zoon van laatstgenoemde, — en zijn veldheer Tabbo (85 na Chr.). — De hertogen waren: Ascon (130), de stichter van vele dorpen, — zijn zoon Adelbold (173), die een bondgenoot der Romeinen was, — zijn broeder Titus Bojoculus, een geleerd en dapper vorst, — zijn broederszoon Ubbo (240), die Dockum deed verrijzen, — Haron Ubbo (299), die tegen de West-Friezen oorloogde, — zijn zoon Odelbald (335), — en Odolf Haron.

— Tot de reeks der koningen behooren: Richold Uffo (392), — Odilbald (435), — Rickold II (470), — Beroald (533), — Adgild I (590), onder wien het Christendom in Friesland werd ingevoerd, — Radboud I (672), een ijverig voorvechter van het Heidendom, die de St. Thomas-kerk te Utrecht verwoestte, doch door Pepyn bij Dorestad (Duurstede) geslagen werd, waarna hij op zijne beurt eene overwinning behaalde bij Keulen, maar ook weder veel te lijden had van Karel Martel, — Adgild II, (793) een beschermer van het Christendom, —Gondebald (737), desgelijks een voorstander der nieuwe leer, — zijn broeder Radboud II (749), die, in Denemarken opgevoed, het gezag der vaderlijke goden wilde handhaven, en den evangelieverkondiger Bonifacius deed ombrengen, waarna het volk bescherming zocht bij Karel de Groote en alzoo onder het oppergezag kwam van dien Frankischen Koning, die weldra Keizer van Duitschland werd, terwijl de laatste Koning der Friezen de wijk nam — vermoedelijk naar Helgoland.

Het tweede tijdperk loopt van Karel de Groote tot aan Albert van Saksen (800—1498). Daarin regeerden 17 potestaten of door de ingezetenen gekozene landvoogden, namelijk: Magnus Forteman (809), veldoverste der Friezen bij een togt naar Rome, in den strijd tegen de Saracenen gesneuveld, en heilig verklaard, — Taco Ludigman, die het land tegen de zeeroovers beschermde, — Adelbrik Adélen (830), die bij Kollum de overwinning behaalde op een Zweedschen hertog, —Hessel Hermana (869), een ijverig strijder tegen de Noormannen, — Igo Galema (♰ 886), — Gosse Ludigman (989), — Saco Reinalda (♰ 1167), onder wiens bestuur vele Friezen naar het Heilige Land trokken, — Sicko Sjaerdema (1237), die de aanbieding van graaf Willem II, om hem de heerschappij over Friesland te bezorgen, fier van de hand wees, — Reinier Camminga (♰ 1306), die in den strijd tegen de Noormannen sneuvelde, — Hessel Martena (♰ 1313), die Friesland tegen de aanvallen der graven van Holland beschermde, — Juw Juwinga (1396), in den slag bij Schoterzijl gesneuveld, —Sytse Dekama, Gale Hania en Odo Botnia (1399), — Sjoerd Wiarda en Haring Haringsma (1404), de eerste voor Oostergo, de tweede voor Westergo — en Juw Dekama (1494). Laatstgenoemde kon echter het gezag niet handhaven wegens de toenemende verbittering van den strijd tusschen de Schieringers en Vetkoopers, welke Friesland in de laatste eeuwen van dit tijdperk geweldig geteisterd heeft. Die strijd bestond tusschen 2 partijen van Friesche edelen, en was enkel eene worsteling om de overmagt, aanvankelijk grootendeels ontstaan uit wraakzucht, later onderhouden door familieveeten. Omdat de Vetkoopers den Schieringer potestaat Juw Dekama niet wilden erkennen, droeg de Keizer in 1498 het bestuur op aan Albert van Saksen.

Het derde tijdperk loopt van Albert van Saksen tot de Hervorming (1498—1580). Hierin regeerden de erf heeren van Friesland en hunne stadhouders. Het is nog weêr gesplitst in 3 onderdeelen, namelijk dat der Saksische, — dat der Bourgondische, en dat der Spaansche regéring. Tot de Saksische regering behooren: Albert, hertog van Saksen-Meissen, geboren in 1443; hij was te voren stadhouder in Holland geweest, had door krachtige middelen de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten weten te dempen en begaf zich met zijn zoon in 1499 naar Friesland, bezorgde er in Franeker de instelling van een Provincialen Raad, ontzette in 1500 zijn zoon, die in genoemde stad door de Friezen belegerd werd, en overleed kort daarna te Emden; — zijn zoon Hendrik, hertog van Saksen, die na het ontzet van Franeker ter bedevaart trok naar Spanje, later de eerste der Duitsche vorsten was, die de leer van Luther aannam, en in 1541 overleed, — en zijn broeder Georg, hertog van Saksen, die in 1504 in Friesland kwam, te Leeuwarden een geregtshof en eene munt instelde, doch vervolgens wegens zijne knevelarijen zóó in het naauw gebragt werd, dat hij in 1515 Friesland overdroeg aan Karei van Oostenrijk. Voorts kwamen er als stadhouders der Saksische vorsten: Willebrord van Schaumburg, die een kasteel stichtte te Leeuwarden, — Hugo, burggraaf van Leysenich, — Willem Truchses'—Hendrik, graaf van Stolberg en heer van Wernigerode, die de toegenegenheid der ingezetenen verwierf, en Everwijn, graaf van Benthem. — Tot de Bourgondische regéring behooren: Karel van Oostenrijk, hertog van Bourgondië, graaf van Holland, heer van Friesland, geboren te Gent in 1500, gewoonlijk keizer Karel de Vijfde genoemd, en zijne stadhouders waren: Floris van Egmond, heer van IJsselstein, (1-515), die echter slechts 3 steden en 8 grietenijen onder zijn gezag vereenigde, — Willem, vrijheer van Roggendorf ( 1517), — George Schenk, vrijheer van Toutenburg, die de Gelderschen uit Friesland verdreef en er door rust algemeene welvaart bragt, hoewel hij de aanhangers der Hervorming gestreng vervolgde, — Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren (1540),— Johan van Ingny, graaf van Aremberg (1548), —en Segher, heer van Groesbeek. — De Spaansche regéring was die van Philips II, koning van Spanje, in 1526 geboren en in 1556 met het gezag over de Nederlanden bekleed. Zijne stadhouders waren: Karel van Brimeu, graaf van Megen (1568), onder wiens bestuur een geweldige watervloed ontstond (1570), — Gillis van Barlaymont, heer van Hierges, met Gaspar de Robles, heer van Billy, tot onderstadhouder, welke laatste krachtig werkzaam was tot herstel der zeedijken en het Kolonelsdiep tusschen het Bergumermeer en Stroobos deed graven, waarna hij in 1685 bij Antwerpen sneuvelde. — Daarna voegden zich Friesland en Groningen aan de zijde der Staatsgezinden, en als stadhouder voor prins Willem I bevond er zich: George van Lalaing, graaf van Rennenberg (1577), die in 1580 Groningen door verraad weder aan de Spaansche zijde bragt, terwijl eindelijk François Verdugo, heer van Schengen (1580) er de laatste Spaansche stadhouder was, totdat Groningen in 1594 op den Spanjaard veroverd werd.

Het vierde tijdperk loopt van de Hervorming tot de Staatsomwenteling (1580—1795); daarin hadden de Souvereine Staten van Friesland en hunne stadhouders het bewind in handen. Deze stadhouders waren: Willem I, prins van Oranje (1680), die er vertegenwoordigd werd door zijn plaatsvervanger, den kapitein-generaal Bernard de Merode, een edelen voorstander der vrijheid, — Willem Lodewijk, graaf van Nassau (1584), een broederszoon van prins Willem I en een uitstekend regent, die in 1620 overleed, — zijn broeder Ernst Casimir, graaf van Nassau (1620), die sneuvelde bij het beleg van Roermond, — zijn zoon Hendrik Casimir I, graaf van Nassau (1632), overleden ten gevolge eener wonde, ontvangen bij de bestorming eener schans in Vlaanderen, — zijn broeder Willem Frederik, graaf (daarna prins) van Nassau (1640), een uitstekend krijgsman , gehuwd met Albertina Agnes, eene dochter van Frederik Hendrik, — zijn zoon Hendrik Casimir II, prins van Nassau (1679), nadat zijne moeder sedert 1664 het land als voogdes bestuurd had; hij werd geboren in 1657, en in 1672 tot stadhouder en kapitein-generaal, in 1675 tot erfstadhouder, mede van Groningen en Drenthe, gekozen, studeerde te Franeker en vormde zich onder de leiding van den generaal van Aylva tot een krijgsman, die in 1689 tot tweeden veldmaarschalk opklom en blijken gaf van beleid en moed bij Fleurus, bij Steenkerke en Neerwinden, en in 1696 overleed, — zijn zoon Jan Willem Friso, prins van Oranje en Nassau (1707), door prins Willem III erfgenaam verklaard van het prinsdom Oranje, hij aanvaardde het bestuur,nadat het eerst door zijne moeder Amalia als voogdes was waargenomen, woonde als generaal de veldslagen bij van Oudenaarden en Malplaquet, maar verdronk reeds in 1711 bij den Moerdijk, — zijn zoon Willem Karel Hendrik Friso, prins van Oranje en Nassau, geboren te Leeuwarden kort na den dood zijns vaders; nadat zijne moeder Maria Louisa, in Friesland onder den naam van Marijke Louisa bekend, gedurende 20 jaar het stadhouderschap als voogdes gevoerd had, kwam hij in 1731 aan het bewind, huwde in 1734 met Anna, kroonprinses van Groot-Brittanje, en zag zich in 1747 onder den naam van Willem IV tot erfstadhouder van al de overige. Nederlandsche gewesten uitgeroepen, zoodat na dien tijd de geschiedenis van Friesland, sedert de unie van Utrecht reeds op het naauwst met die der andere provinciën verbonden, geheel zamenvalt met die van Nederland (zie aldaar). Met zijn opvolger Willem V eindigde dit tijdperk.

Thans blijft ons nog over, een en ander mede te deelen omtrent de Friesche taal- en letterkunde. Het Friesch is geen tongval van het Nederlandsch, maar regtstreeks uit het Angelsaksisch en Oud-Noordsch gesproten. Tot de oudste gedenkstukken van het Friesch behooren verschillende wetten en strafbepalingen, die door von Richthof en (in zijne „Friesische Rechtsquellen, 1840'’) en anderen zijn uitgegeven. Langzamerhand werd de taal, die aanvankelijk in de Zeven Zeelanden gesproken werd en in gebruik was, teruggedrongen naar het grondgebied van de tegenwoordige provincie Friesland, al vindt men ook thans nog dialecten dezer taal op sommige eilanden van Oost-Friesland en in Sagelterland (in Oldenburg). Onder hen, die zich als dichters jegens de Friesche taal, zooals die thans overal op het land in deze provincie gesproken wordt, verdienstelijk gemaakt hebben, vermelden wij uit de 17de eeuw Starter en Gijsbert Japiks, en uit de 19de dr. E. Halbertsma. Laatstgenoemde heeft met zijn broeder J. H. Halbertsma ook een groot aantal geestige proza-stukken in de Friesche taal geleverd, gelijk in den laatsten tijd ook vele zijn uitgegeven door Waling Dijkstra. Behalve een woordenboek op Gijsbert Japiks van Epkema heeft men een belangrijk „Altfriesisch Wörterbuch (1840) van von Richthofen.

Onder de Friesche dichters, die zich van de Nederlandsche taal bedienden, mogen de gebroeders Willem en Onno Zwier van Haren eervol worden vermeld. De beoefening der wetenschappen is er aanmerkelijk bevorderd door de stichting eener academie te Franeker in 1585, die echter in een athenaeum herschapen en opgeheven is. Talrijke beroemde mannen, onder welke vele geboren Friezen, zijn aan die hoogeschool als professoren werkzaam geweest of hebben er hunne opleiding ontvangen. Vele godgeleerde geschriften zijn in Friesland opgestelde, talrijk kronijk- en geschiedschrijvers hebben er de lotgevallen des volks geboekt of gedenkschriften nagelaten. In 1828 werd opgerigt het „Friesch Genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde”, hetwelk de wetenschappelijke krachten des lands zoekt te vereenigen en door het uitgeven van geschied- en plaatwerken, alsmede van het tijdschrift „De vrije Fries” de belangstelling in zaken van geschied-, oudheid- en taalkundigen aard poogt aan te kweeken. Ook op het gebied der schilderkunst en der werktuigkunde verwierf menige Fries een regtmatigen roem.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018