Ermerins betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Jan Willem Ermerins, een verdienstelijk Nederlandsch natuurkundige. Hij werd geboren te Zierikzee den 11den Februarij 1798, gaf bij het bezoeken van het gymnasium aldaar reeds vroeg blijken van een uitstekenden aanleg, begaf zich in 1816 naar Leiden, waar hij zich op de geneeskunde en tevens op de wis- en natuurkunde toelegde en in 1824 in beide vakken promoveerde, nadat hij voor het beantwoorden van meer dan eene Académische prijsvraag het eeregoud ontvangen had. Hij vestigde zich als geneesheer te 's Gravenhage, doch werd weldra benoemd tot hoogleeraar te Franeker, waar hij in 1825 zijne lessen opende. Hij wist hier zijne taak, die door de verscheidenheid der hem opgedragen vakken zeer moeijelijk was, naar behooren te volbrengen, doch maakte steeds zijne hoofdstudie van de natuurkunde. Gedurende een bezoek te Parijs knoopte hij betrekkingen aan met den beroemden Ampère, wiens electro-dynamischen toestel hij vervolgens beschreef, en zocht ook door populaire voorlezingen tot verspreiding der natuurkennis mede te werken. In Mei 1835 werd hij benoemd tot hoogleeraar te Groningen, waar hem, behalve de wis- en natuurkundige vakken, aanvankelijk ook de sterrekunde was opgedragen, ’t geen aanleiding gaf tot de uitgave van zijne „Handleiding bij de beoefening der sterrekunde van Sir John F. W. Herschel voor lezers uit den beschaafden stand (1838 en 1840 , 2 dln)”. Met de studie der wiskunde was hij zeer ingenomen, en toen in 1843 de Algemeene Synode der Hervormde Kerk haar minder noodig rekende voor aanstaande godgeleerden, gaf hij daartegen zijne „Bedenkingen (1843)” in het licht.

In 1830 werd hij benoemd tot lid der eerste klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut en na de opheffing hiervan in 1852 tot lid der Koninklijke Académie van Wetenschappen, en in de Verslagen en Mededeelingen van dit ligchaam vindt men opstellen van Ermerins „Over de identiteit van licht en stralende warmte”, en „Over de dagelijksche beweging van den barometer te Groningen van December 1851 tot November 1861”. Dergelijke metereologische waarnemingen dééd hij bij voortduring door middel van door hem uitgedachte zelfregistrérende instrumenten. Ter plaatse zijner inwoning werkte hij voorts krachtig mede tot verbetering der brandbluschmiddelen en tot het stellen van een afleider op den Martini-toren, voor welke diensten de stedelijke raad hem een zilveren blad met het stadswapen aanbood. Voorts wijdde hij er als curator zijne trouwe zorg aan het gymnasium, dat onder zijn bestuur ongemeen bloeide. Het Zeeuwsch en Utrechtsch Genootschap, de Leidsche Maatschappij van Nederlandsche letterkunde benoemden hem tot lid, en nadat hij in 1845 een beroep naar Leiden had afgewezen, werd hij in 1846 versierd met de orde van den Nederlandschen Leeuw. Hij overleed te Groningen den 2den Maart 1869, diep betreurd door zijne talrijke vrienden, die hem wegens zijn edel karakter innig lief hadden.

Frans Zacharias Ermerins, een verdienstelijk Nederlandsch geneeskundige. Hij werd geboren te Middelburg den 8sten November 1808, studeerde te Leiden in de wis- en natuurkunde en vestigde zich als arts in zijne geboorteplaats. Hij legde zich vooral met ijver toe op de geschiedenis der geneeskunde, en na het bezoeken der Koninklijke Bibliotheek' te Parijs gaf hij zijne „Analecta Medica Graeca (1840)” in het licht, gevolgd door „Hippocratis liber de victus ratione in morbis acutis etc. (1841)”. Den 2den September 1844 aanvaardde hij het hoogleeraarsambt in de geneeskunde te Groningen, waar hem de pathologische en clinische lessen werden opgedragen, terwijl hij van tijd tot tijd de wetenschap verrijkte met de uitgave van geschriften van oud-Grieksche geneeskundigen. In 1847 verschenen zijne: „Aretaei opera quae supersunt”, en ook zijn van de „Opera Hippocratis” op kosten van de Koninklijke Académie van Wetenschappen eenige deelen door hem uitgegeven. Hij overleed den 28sten Mei 1872.

Gepubliceerd op 07-08-2018