Onder dezen naam vermelden wij:
lucRetia MaRia Davidson, eene Noord-Amerikaansche dichteres. Zij werd geboren den 27Sten September 1806 te Plattsburg en toonde reeds vroeg een gunstigen aanleg voor de poëzie.
Eenige verzen, op 11-jarigen leeftijd ter gelegenheid van het gedachtenisfeest van Washington door haar vervaardigd, wekten de opmerkzaamheid harer Bloedverwanten, hoewel men half vermoedde, dat zij niet van haar afkomstig waren. Juist dit wantrouwen spoorde haar aan tot het maken van nieuwe gedichten, — en zij smolt als het ware geheel weg in poëzie; — zij overleed reeds den 27sten Augustus 1825. Hare gedichten zijn door Morse onder den titel „Amir Khan and other poems, the remains of Lucretia Maria Davidson (1819)” in het licht gegeven. — Ook hare zuster Margaret Miller Davidson, geboren den 16den Maart 1823, toonde een dergelijken aanleg voor de dichtkunst, doch overleed reeds den 25sten November 1838. Hare gedichten zijn in 1850 tegelijk met die harer zuster in het licht verschenen.
Samuël Davidson, een verdienstelijk godgeleerde. Hij werd geboren in 1808 te Ballymena in Ierland, studeerde te Belfast in de godgeleerdheid en wijsbegeerte, werd tot presbyteraansch geestelijke gewijd, en zag zich in 1835 geroepen tot den leerstoel der Bijbelsche critiek. Verandering van godsdienstige meening was de oorzaak, dat hij dien verwisselde met een professoraat in de Bijbelsche letterkunde en in de kerkgeschiedenis aan de school der Independenten te Manchesster. Hier wist hij in hooge mate de achting der studenten te winnen, doch daar zijne nasporingen aanstoot gaven aan de ultra-orthodoxe partij, legde hij in 1857 zijn ambt neder. Van zijne werken noemen wij een „Handboek der kerkgeschiedenis (1846, 4 dln)” — een Hebreeuwsch woordenboek, — „Ecclesiastical poetry of the New Testament (1848)”, — „Introduction to the New Testament (1848— 1851, 3 dln)”, — en „Biblical critics (1852) 2 dln)”. In 1862 werd hij benoemd tot examinator in de Bijbelsche geschiedenis enz. aan de universiteit te Londen.