Cabral betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Pedro Alvarez Cabral of Cabrera, den ontdekker van Brazilië. Hij was de telg van een adellijk Portugeesch geslacht en werd door koning Emanuël na den terugkeer van Vasco de Gama tot admiraal benoemd eener vloot van 13 schepen, om een weg ter zee naar Indië te zoeken. Den 9den Maart 1500 verliet hij de haven van Lissabon, volgde, om de windstilten langs de Afrikaansche kust te vermijden, een westelijken koers en bevond zich na verloop van eene maand nabij het hedendaagsche Brazilië. Den 24sten April stapte hij er aan land, nam dit in naam van den Koning van Portugal in bezit en noemde dat kustgewest Terra da Santa Cruz. Nu vertrok hij naar Oost-Indië, maar op den togt derwaarts verloor hij door stormen de helft van zijne schepen, waarbij ook de beroemde Bartholomaeus Diaz omkwam. Met de overige vaartuigen zeilde hij langs de oostkust van Afrika, bezocht Mozambique, bereikte Calcutta, bombardeerde deze stad wegens de beleedigende handelwijze der inwoners, sloot handelsverdragen met eenige vorsten, en kwam den 21sten Julij 1501 met eene rijke lading weder op de Taag. Het schijnt echter, dat hij niet beantwoord heeft aan de verwachtingen, want later vinden wij zijn naam als zeeman niet vermeld. Hij overleed omstreeks het jaar 1526, en zijne reizen zijn beschreven in de „Navigazione e viaggi” van Ramusio.

Antonio Bernardo da Costa Cabral, graaf van Thomar, een Portugeesch staatsman. Hij werd geboren in 1803 te Fornas de Algostra in de provincie Opper-Beira, studeerde in de rechten aan de Universiteit te Coïmbra, en werd eerst advocaat, vervolgens regter te Fora de Perella. De staatkundige gesteldheid van zijn vaderland noodzaakte hem echter, zich in ballingschap te begeven. Toen de liberale partij zich meester gemaakt had van de Azorische eilanden, werd hij lid van het geregtshof te Terceira en gedurende het regentschap assessor van den krijgsraad aldaar. Dom Pedro, die hem later in Oporto aantrof als secretaris van den auditeur-generaal van het leger, benoemde hem tot procureur des Konings bij het hoog-geregtshof van deze stad, waarna hij regter werd in het hoog-geregtshof op de Azorische eilanden en vervolgens in dat te Lissabon. Hier werd hij in 1835 in de Cortes gekozen, verzette zich in 1837 tegen de regéring en nam heimelijk deel aan het oproer in het arsenaal. Door het mislukken van dit laatste bekoeld, kwam hij in 1838 als burgerlijk gouverneur van Lissabon aan het hoofd van het stadsbestuur, en werd in 1839 minister van Justitie en Eeredienst.

Toen hij den 25sten Januarij te Oporto eene revolutionaire Junta vormde, werd hij wel is waar door een Koninklijk besluit vervallen verklaard van zijn post, maar hij keerde weldra in zegepraal naar Lissabon terug, waar hij met den titel van minister van Binnenlandsche Zaken een onbeperkt gezag in handen kreeg. Hij vaardigde wetten uit, sloot tractaten, regelde internationale aangelegenheden en ging overeenkomsten aan met den Heiligen Stoel, maar hij pleegde tevens schennis aan de onafhankelijkheid der regters en aan die der universiteiten, zette de geldverkwisting voort zonder rekenschap af te leggen, voerde drukkende belastingen in en maakte zich op die wijze gehaat bij zijne eigene partij. Vooral hield hij zich bezig met de organisatie der vrijmetselaarsloges en handelde hierbij zoozeer naar eigen inzigt, dat zelfs de conservatieven er bezwaar in vonden, in zijne handen een gezag te laten rusten, dat wel eens gevaarlijk kon worden voor de Kroon. Een opstand, in 1844 door graaf Bomfin ondernomen, diende hem tot voorwendsel, om de teugels nog sterker aan te halen. Een tweede opstand, die in Oporto uitbarstte, werd den 17den Mei 1846 gevolgd door zijn ontslag.

Hij vlood van den eenen schuilhoek naar den anderen, maar achtte zich niet veilig, voordat hij te Cadix den Spaanschen grond had bereikt. Na het beteugelen der revolutie keerde hij naar Portugal terug, nam er spoedig weêr deel aan het regéringsbeleid, vertrok in 1848 als buitengewoon gezant naar Madrid, nam in Januarij 1849 weder zitting in de Cortes en werd in 1849 door de Koningin met de vorming van een ministérie belast. Hij leende terstond eene belangrijke som van de bank en misleidde het publiek door de belofte, dat het geld tot het leggen van een spoorweg van Lissabon naar de grenzen van Spanje zou worden gebruikt. De bittere ellende des lands en de stilstand van den handel bezorgden hem trouwens in de Cortes eene geweldige oppositie, welke in de Kamer der Pairs door den hertog van Saldanha, en in die der Afgevaardigden door zijn eigen broeder Silva werd bestuurd.

In Februarij 1851 werd hij door de Cortes beschuldigd, dat hij bij het ontvangen van eene lading porselein omstreeks 300 pond sterling aan de schatkist onthouden had. Wèl werd die aantijging ongegrond verklaard, doch toen kort daarna eene door hem voorgedragene clausule op eene nieuwe kieswet met eene meerderheid van 52 stemmen verworpen werd, moest hij aftreden. De Koningin wilde echter zijn ontslag niet aannemen, en eerst in April 1851 noodzaakte hem een opstand, door den hertog van Saldanha aangestookt, zijne portefeuille neder te leggen en de wijk te nemen naar Engeland. Hij keerde echter reeds in 1852 naar Lissabon terug, was gedurende het bestuur van Saldanha de leider der oppositie in de Kamer der Pairs, begaf zich in 1859 als gezant naar Brazilië en werd vandaar teruggeroepen in 1861, — na welken tijd wij geene merkwaardige bijzonderheden van hem vinden vermeld.

Laatst bijgewerkt 02-07-2018