Baardgier betekenis & definitie

Baardgier of lammergier is de naam van den grootsten roofvogel van ons werelddeel. Hij houdt zijn verblijf in de Alpen van Zwit­serland, voorts in de hooge bergstreek van Spanje, Sardinië en Griekenland.

Hij vormt den overgang van de valken tot de gieren, en Tschudi vergelijkt hem met den hyéna, die desgelijks eene verbindende schakel vormt en wél tusschen honden en katten. De baard­gier bezit, evenals de valk, eene snelle, ge­makkelijke, afgebroken vlugt, lange, smalle puntige vleugels met 31 slagpennen, groote, sterk gewelfde, rood-omzoomde oogen, een kring van halsvederen en korte pooten, tot aan de klaauwen met vederen bedekt.

Daarentegen is, evenals bij de gieren, zijn snavel eerst bij de punt omgebogen, zijn bek zeer wijd, zijn krop groot en zijn klaauw middel­matig sterk gebogen en stomp. Het wijfje is grooter dan het mannetje en heeft bij den baardgier der Alpen (Gypaëtos barbatus) eene ligchaamslengte van ruim een Ned. el en eene vlugt van 3 Ned. el.

Laatstgenoemde is inderdaad een prachtige vogel. Zijn oog is vuurrood en heeft een pikzwarten oogappel. De stoppelige vederen van den kop zijn lichtgeel en die van den nek bruingeel. Onder den snavel draagt hij een dikken zwarten baard, de bovenzijde der vleugels is zwart, de benedenzijde grijs, en de borst en buik zijn lichtgeel of wit. Hij bewoont de hoogste Alpentoppen in Graauwbunderland en Savoije, waar hij op ontoegankelijke plekken zijn nest bouwt van takken, hetwelk van binnen met mos en vederen wordt bedekt. In den aanvang der lente legt het wijfje drie groote, bruingevlekte eijeren, waarvan er twee worden uitgebroed.

De baardgier en zijn wijfje, in afzondering levende, begeven zich met het aanbreken van den morgen op de jagt. In spiraallijnen, schier zonder merkbaren vleugelslag, verhef­fen zij zich tot eene verbazende hoogte, om te grooteren kring te kunnen overzien. Des zomers bepalen zij zich tot de hoogste bergstreek, maar des winters dalen zij niet zelden af tot de bewoonde gewesten. Zij zijn ongemeen vraatzuchtig, en men heeft in de groote maag dezer vogels beenderen gevon­den van koeijen, geiten, gemsen, vossen, hazen en eekhoorntjes, zoodat zij vooral azen op zoogdieren.

Heeft de baardgier er­gens eene prooi ontdekt, dan schiet hij er met zamengevouwen vleugels op los. Kleine dieren, zooals vossen en hazen, doodt hij terstond met zijn scherpen snavel en hij draagt hen naar hooge rotstoppen of naar zijn nest. Volgens de mededeeling van Tschudi maakt hij zich van groote dieren, van schapen en gemsen meester, door op de berghelling, waar zij grazen, om hen heen te vliegen, hen hierdoor te bedwelmen en hen eindelijk met een stoot in den afgrond te werpen.

Nadat de morgenjagt aan den baardgier het noodige verschaft heeft, plaatst hij zich ergens op een rotspunt, om het overig ge­deelte van den dag in vadsigheid door te brengen. — In Zwitserland is het meermalen gebeurd, dat kleine kinderen door zulke vogels zijn weggeroofd, — en het zeldzame geval heeft zich voorgedaan, dat zulk een kind na eene duizelingwekkende luchtvaart uit de klaauwen van den roofvogel is bevrijd.

Laatst bijgewerkt 19-03-2018