Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 31-10-2017

water

betekenis & definitie

water - Zelfstandignaamwoord
1. (scheikunde) een geurloze, kleurloze en smaakloze vloeistof waarvan de moleculen bestaan uit één atoom zuurstof en twee atomen waterstof (H2O)
Een mens kan geen dag overleven zonder water.
2. (meteorologie) regenwater; veel voorkomende neerslag
Er viel zodanig veel water op korte tijd dat de riolen het niet meer aankonden.
3. (enkel in het meervoud) stuk zee dat aan (g)een bepaald land toebehoort
We bevinden ons nu in internationale wateren.
4. natuurlijke bedding waarin zich water bevindt
5. vloeistof in het lichaam
6. doorzichtigheid of helderheid van een diamant
7. golvende weerschijn van geweven stoffen
8. obligatie zonder onderpand; leeg aandeel

water - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
♢ Ik water
2. gebiedende wijs van wateren
water!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
water je?

Woordherkomst
via het Middelnederlandse woord water, Oudernederlands watar en de Germaanse r/n-stam *wator van de Proto-Indo-Europees-stam *wódr-
Verwant in Germaans:
Duits: Wasser
Engels: water

Verwante begrippen
sneeuw, ijs