kamer betekenis & definitie

kamer - Zelfstandignaamwoord
1. een van de rest door muren afgescheiden deel van een huis met een eigen functie
2. (juridisch) onderdeel van een rechtsprekend orgaan dat over bepaalde zaken uitspraken doet
De meervoudige kamer bestaat uit drie rechters die gezamenlijk meer ingewikkelde zaken behandelen.

Woordherkomst
Afkomstig van het Middelnederlandse cāmere, uit Laatlatijn camera, ontleend aan Oudgriekse καμάρα (kamára) ‘huifwagen, gewelfde kamer’.

Synoniemen
[1] ruimte, vertrek