deel betekenis & definitie

deel - Zelfstandignaamwoord
1. een afsplitsing van een hoeveelheid, maat of gewicht, van een geheel waarbij samenstelling, functies of eigenschappen gelijk zijn of buiten beschouwing blijven (kenmerkend is dat de soortnaam van het geheel en de afgesplitsing gelijk is)
    ♢ Een deel van een pak suiker.
2. een meeteenheid bij vloeistoffen en stoffen in poedervorm
    ♢ metselspecie is een mengsel van één deel bindmiddel, drie delen fijn zand en één deel water.
3. een stuk van het geheel
    ♢ Ik heb een deel van het afval in de groene bak gedaan een ander deel in de zwarte bak.
4. een werk / boek / aflevering van een serie (bij een boekenserie, filmserie tv-serie)
    ♢ Ik heb alle delen van 'in de ban van de ring' gelezen
deel - Zelfstandignaamwoord
1. een werkruimte in de stal of schuur van een boerderij
    ♢ De familie zat op de deel.
2. vloerdeel, planken vloer
deel - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
    * Ik deel
2. gebiedende wijs van delen
    * deel!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
    * deel je?

Woordherkomst
afkomstig van:
Middelnederlands: deel
Oudernederlands: dēl
Germaans: *dailan
ine: *dʰAilom

Uitdrukkingen en gezegden
    ♦ num=1
        het overgrote deel|

Synoniemen
part, stuk, portie

Antoniemen
compleetheid, geheel, ongedeeldheid, onverdeeldheid, volledigheid

Verwante begrippen
Voor deel, verkregen door splitsing in ongelijksoortige delen, zie onderdeel, Voor deel op atomair niveau, zie deeltje, dorsvloer, plank

Gepubliceerd op 03-10-2017