fiets betekenis & definitie

(de; -en) 1 - rijwiel met twee wielen, waarbij het voorwiel wordt gebruikt om te sturen en het achterwiel de aandrijving is, in werking gesteld door het trappen op pedalen, met overbrenging via een ketting, syn. rijwiel: (fig.) wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?, wat gebeurt mij nou?; (fig.) aha, op die fiets!, op die manier; op een oude fiets moet je het Ieren, gezegd van een jong, onervaren iem. die zijn, haar eerste seksuele betrekkingen heeft met een ervaren, wat ouder iem.; witte fiets, witgeschilderde, door iedereen kosteloos te gebruiken fiets, voor vervoer in de stad; op en naast de fiets was hij een naam, tijdens zijn carrière als wielrenner, maar ook buiten de wielrennerij, bv. in het zakenleven.

• ‘Fiets’ is in geen geval afgeleid van de Apeldoornse rijwielhandelaar E.C. Viets (1847-1921), zoals vaak is gesuggereerd: onder kostschooljongens in de buurt werd 'fiets’ al gebruikt voordat Viets zijn handel begon. (SIJSLE)

• De vélocipèdeschool gaat er kort gezegd van uit dat 'fiets’ is ontstaan uit een van de talloze verbasteringen van ‘het laffe vélocipede’ (een kwalificatie van taalkundige Matthias de Vries). De Vries verwachtte al in 1869 dat vélocipede ‘in den mond des volks’ binnen de kortste keren tot ‘vloospeet’ zou verworden. Zo ver is het nooit gekomen, maar de Franse indringer baarde wel talloze misbaksels, die in verscheidene bronnen zijn opgetekend, zoals ‘vielesepee’, filesepee’ en fiesselepee’. (...) Het lijkt waarschijnlijk dat fiets omstreeks 1870 is ontstaan uit het dialectwoord ‘vietse’ (snel bewegen). Niet alleen is de betekenisuitbreiding aannemelijk, maar het zou ook verklaren waarom fiets aanvankelijk veelal met een ‘v’ werd geschreven en waarom het zo lang is beschouwd als een ‘volkswoord’, een ‘vulgair jongenswoord’, zoals De Kampioen schreef. (SANDF)

2 (alleen mv.) Bargoens - handen of benen
3 Bargoens, veroud. - vijf gulden: dat kost een fiets.

Herkomst: twee achterwielen, schertsend voor twee rijksdaalders, samen vijf gulden