Jupiter betekenis & definitie

Jupiter (bij de Grieken Zeus). De oude god Saturnus (Kronos bij de Grieken) verslond al zijn kinderen, daar hij van hen zijn ondergang duchtte (beeld : de tijd verslindt zichzelf en verwoest ook, wat hij gemaakt heeft). Zijn gemalin Rhea echter wist enkele kinderen (een zestal: Jupiter, Neptunus, Pluto, Juno, Vesta en Ceres) te redden. Zij wikkelt bij de geboorte van Jupiter een steen in doeken en geeft dien Saturnus te verslinden; om de vervolging van 't kind te voorkomen, wordt het naar 't eiland Kreta gebracht, waar de Korybanten met hun schilden en speren voortdurend leven maken, opdat Saturnus het wenende kind niet zal horen. Een geit geeft hem melk en haar hoorn is later tot den hoorn des overvloeds verhoogd; de nymphen verplegen hem.

Met de andere overgebleven zoons van Saturnus staat hij tegen hem op: de Titanen (reuzen) staan Saturnus bij en de Cyclopen Jupiter. Tien jaar lang duurt de strijd, maar Jupiter zegeviert (het nieuwe overwint het oude) : hij slingert de Titanen in den Tartarus (zie Hades). De drie zegevierende broeders deelen nu het rijk der oude Titanen. Jupiter beheerst den hemel, Neptunus (Poseidon) de zee, en Pluto (Hades) de onderwereld. Jupiter wordt de oppergod en de nieuwere goden stammen allen van hem af. Zijn attribuut is als Dondergod de bliksem, zijn vogel de arend.