Gepubliceerd op 28-02-2021

Nederland

betekenis & definitie

(fr. Pays-Bas, duitsch Niederlande, eng.

The Netherlands, Holland), d. i. Laag land, officieele naam: Koninkrijk der Nederlanden, koninkrijk in West-Europa, in het mondingsgebied van Rijn, Maas en Schelde, aan het westelijk einde der midden-europeesche laagvlakte, ligt tusschen 50° 45' 49" (Mesch in Limburg) en 53° 32' 21" (Groningerkaap op Rottumeroog) noorderbreedte, en tusschen 3° 25' 16" (Sluis) en 7° 12' 20" (Nieuweschans) oosterlengte. De grootste lengte, van Mesch tot Rottum, bedraagt 2° 46', d. i. ten naastebij 2¾ X 20 uur = 56 uren gaans; de grootste breedteafstand 3° 50', d. i. gemeten op den 52sten parallelcirkel, bijna 4 X 12 uur = 46 uren gaans, ’t Verschil in tijd tusschen Nieuweschans en St. Anna ter Muiden bedraagt ruim 15 minuten. De parallel van 52° gaat ongeveer over ’s Gravenzande, Delft, Gouda, IJselstein, Amerongen, Doesburg en Groenlo. Vergeleken met andere landen ligt N. op dezelfde breedte als Zuid-Engeland, Noord-Duitschland, Midden-Rusland, Zuid-Siberië en Labrador. Vlissingen ligt op dezelfde lijn «met Londen, Helder met de Washbaai, het eiland Rottum met Hamburg en Stettin, Zwolle met Hannover en Berlijn, Maastricht met Keulen en Dresden.Grenzen

Natuurlijke grenzen heeft N. alleen in het westen, in de Noordzee. In aardrijkskundigen zin is N. dan ook geen land, geen geographisch individu; de landgrens van den Dollart over Vaals en langs Eisden en Stevensweerd naar de Noordzee, verloopt integendeel met de grilligste en willekeurigste bochten en sprongen, midden door streken die in natuur-aardrijkskundig opzicht één zijn. Zij zijn vastgesteld bij een groot aantal tractaten met de staten wier gebied aan N. paalt (met Pruisen 1846 en 1867, met België in 1843), en kunnen ten allen tijde bij de wet veranderd worden. De vlaamsche provinciën van België in het zuiden en de lage zeelanden van Oost-Friesland, Oldenburg, Hannover en Sleeswijk komen in elk opzicht overeen met het nederl. polderland, zijn daarvan de natuurlijke voortzettingen.

N. heeft een oppervlakte van 32.840 km.2 (zonder de Zuiderzee, de Wadden en den Dollard, die tezamen 5345 km.2 groot zijn). N. neemt derhalve ongeveer 1/300 van de oppervlakte van Europa in.

De kust

De Nederlandsche kust vertoont het type van een duinenkust met riviermonden en gedeeltelijke deltavorming achter de duinen. De duinenkust is historisch voorafgegaan door een hafkast, waarbij de duinen op een rjj van zandbanken een eind in zee lagen, door een ondiepe lagune of strandmeer van den vasten bodem verder oostelijk gescheiden. Door het vormen van laagveen en het ontstaan van klei-aanslibbingen in dit kustmeer zijn de duinen met het land verbonden geworden. Alleen bij de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum is de duinkust nog door een ondiepe zee, de Wadden, van het land gescheiden, overblijfselen van het haf achter de duinen. De Wadden maakten aanvankelijk deel uit van dit haf, dat ook hier, evenals in Holland, grootendeels met laagveen werd gevuld. Doch door de verhooginig van den zeespiegel aan de Nederlandsche kust werden de zeeopeningen in de duinen verwijd, drong het zeewater met meer kracht naar binnen, en vergezeld van stormvloeden is dit laagveen weggeslagen.

Door dit proces werden de Wadden gevormd, waar men nog overblijfselen van het vroegere veen in den bodem kan vinden. Op dezelfde wijze is door afslag, in verband met verhooging van den zeespiegel, in de eerste 12 eeuwen onzer jaartelling uit het meer Flevo de Zuiderzee ontstaan tot den omvang, dien zij tegenwoordig ongeveer heeft.

Veelal met betrekkelijk steile helling dalem de duinen aan den buitenkant af tot het vlakke strand. Onder strand verstaat men de vlakke streek gronds, die zich langs de zee uitstrekt, de uiterste streek lands, die door het water bespoeld wordt. Het Germaansche woord,, waaruit het Fransch „estran” en ons „strand”, Duitsch en Eng. „strand” is ontleend, komt van den wortel „strê”, „stra”, d. L: zich lang uitstrekken, en beteekent „streep”. De naam „stra” vindt men in Zeeland op Schouwen, nog in dien van het volksfeest „strarijden”, d. i. strandrijden, bewaard.

Het strand is verschillend van breedte, en. neemt op enkele plaatsen in breedte toe, doch over ’t geheel nam het in historischen tijd af. Nabij Katwijk, op ^ 2 uur van de kust, liggen in zee de grondvesten van' den Arx Britannica of het Huis te Britten, in Romeinschen tijd op of aan het duin gebouwd, doch waarvan de fondamenten, door afslag der kust, thans ver in zee liggen. Het hoofdverschijnsel is hier afslag van de kust, niet, zooals men dikwijls leest, een overstuiven en landwaarts verplaatsen der duinen. Om de breedte van het strand, de toeneming en afneming, volledig en nauwkeurig te leeren kennen, zijn er voor ongeveer een halve eeuw een reeks palen op bepaalde afstanden in het strand geheid. Jaarlijks wordt nu de afstand van. den duinvoet en van de lijn van hoog- en laagwater ten opzichte van deze palen gemeten. Dit noemt men strandmetingen. De resultaten der jaarlijksche strandmetingen en de vergelijking met de vroegere vindt men in de jaarlijksche „Provinciale Verslagen” en in de „Verslagen van de Openbare werken”.

Om de afneming van het strand tegen te gaan en den aanwas van het strand in breedte te bevorderen, zijn langs énkele gedeelten der kust, die het meest aan afslag blootstonden, o. a. van den Hoek van Holland tot voorbij Den Haag, dwarshoofden van het strand een eind in zee gelegd.

De duinen vormen geen gesloten rij aan onze kust, maar zijn op eenige plaatsen geheel of gedeeltelijk afgebroken. Men kan vrij aannemen, dat de duinen vóór den aanvang onzer jaartelling bij lagen stand van den zeespiegel meer gesloten waren dan thans. Door afneming van de kust werden de duinen op' enkele plaatsen zeer smal en laag, en bij hoogen stand der zee joeg het water er over heen, vormde openingen of verwijdde de bestaande openingen. Zoo werden de zeegaten gevormd of vervormd in den loop der tijden.

Op het vasteland van Noord- en Zuid-Holland’ zijn de duinen afgebroken tusschen Kamperduin en Petten, waar zij door een zwarezeewering, de Hondsbossche zeewering, vervangen zijn. Verder zijn zij bijna weggeslagen: voor het Westland, waar tusschen den Hoekvan-Holland tot ten z. van Loosduinen een zware slaperdijk ligt. Op Walcheren waren bij Westkapelle de duinen te veel afgeslagen, en heeft men den W.-Kapelschen dijk aangelegd.

De zeegaten, waar de rivieren in zee uitmonden of de zee in het land doordringt, zijn ook in den loop der eeuwen veranderd. Van het z. af vindt men: de Wester-Sc helde (met de diepere geulen Wielingen, Deurloo en Oostgat), de Ooster-Schelde (met de gaten Roompot en Westgat). Beide zijn inhammen van de zee, en in die inhammen, welke oudtijds een haf vormden met enkele eilanden, mondde de rivier de Schelde uit. Verder Brouwershavensehe Gat (dieper landwaarts Grevelingen en Krammer geheeten) en het Goereesehe Gat (dieper Haringvliet genoemd). Ten n. van Voorne zijn de duinen afgebroken tot den Hoekvan-Holland, en daartusschen ligt de steeds ondieper wordende Oude-Maasmond of Brielsche Maas. Vervolgens vindt men den Nieuwen Waterweg van Rotterdam, het Spuikanaal van Den Haag, het Kanaal van Katwijk, en het Noordzeekanaal, die kunstmatig de duinen doorsnijden. Verder Texelsche Zeegat, Eierlandsche Gat, Vliegat, Amelander Gat, Friesche Gat, Pinkegat, Lauwers en Wester-Eems.

De Noordzee

De Noordzee is een randzee van slechts geringe diepte, die een deel vormt van de bank, waarop de Britsche eilanden zich verheffen. Gemiddeld is zij 89 M. diep, langs de z.- en o.-kusten omringd door een ondiepen zoom van gemiddeld 40 M. De Doggersbank is een onderzeesch plateau in de Zuiderzee, aan de Engelsche kust 15—17 M., in het oosten 32 M. diep. Door de ondiepte moet de Noordzee als een voortzetting van het land onder de zee beschouwd worden, een onder water geloopen enge vlakte. Men noemt dit een transgressiezee.

Het water in de Noordzee wordt regelmatig bewogen door de vloed golven van den Oceaan, die in de ondiepe Noordzee gedeeltelijk in stroomingen veranderen, gedeeltelijk als golven voortloopen. Langs de kust van Zeeland, ZuidHolland en Noord-Holland heet de stroom uit het zuiden vloed, die uit het noorden eb; beide stroomen wisselen elkander tweemaal per dag af. Maar de g&tijimgolven doorkruisen deze stroomen nog weder, en maken het verschijnsel van vloed en eb langs de kust zeer ingewikkeld. De geographische getijden zijn daardoor geheel anders dan de theoretische. De vloed dringt ook de zeegaten binnen, zoodat men daar ook de afwisseling van eb en vloed heeft een eind landwaarts in. In de wateren tusschen de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden vindt men overal vloedverschrjnselen.

Binnenzeeën

Binnenzeeën in Nederland zijn de Zuiderzee, de Wadden, de Eems met den Dollard. De breede riviermonden van Zeeland en Zuid-Holland zijn ook ten deele als binnenzeeën te beschouwen.

De Zuiderzee is de uitbreiding van het vroegere meer Flevo, door afslag, vooral der laagveenoevers, gevormd. De Friezen gaven aan dit uitbreidende water, ten z. van hun provincie gelegen, den haam van Zuiderzee. Het is een ondiep water, in het diepere gedeelte bij het Val van Urk ongeveer 50^-60 d.M. Ondiepten zijn: Harderwijker zand, Muider zand, Pampus (29 d.M. diep), Enkhuizer zand. Plannen tot droogmaking zijn herhaaldelijk beraamd. De „Zuiderzee-Vereeniging” heeft daartoe de Zuiderzee doen onderzoeken en de eerste volledige plannen opgemaakt, die door een „Staatscommissie”, in 1892 benoemd, in hoofdzaak werden overgenomen, met kleine wijzigingen.

Het ontwerp luidt, om een dijk te leggen over Wieringen schuin naar de Friesche kust in de richting van Bolsward. Het gedeelte ten z. van dien dijk zou in vier afzonderlijke polders worden bedijkt, twee langs de kust van Hollands Noorderkwartier, een ten z. van de lijn Amsterdam— Zwolsche Diep, en een langs de kust van Overijsel ten n. van het Zwartewater, en gedeeltelijk langs de Friesche kust. Daardoor zou er totaal 211.830 H.A. land gewonnen worden. Een meer, het IJselmeer, zou dan in het midden nog overblijven, 145.000 H.A. groot.

Het ontstaan der Wadden vermeldden wij. De Wadden zijn in historischen tijd veel afgenomen, door den aanwas van de kwelderlanden langs de Friesche en Groninger kust, die herhaaldelijk werden ingepolderd en bij het land gevoegd. Ook voor de Lauwerszee zijn plannen van indijking ontworpen. De Wadden zijn alleen langs enkele vaargeulen, en dan nog moeielijk en uitsluitend bij vloed, bevaarbaar. Harlingen heeft nog een goeden waterweg door dit gebied naar het Vliegat.

De Dollard is ontstaan door afslag van het land, vooral na 1277, en had zijn grootste uitgestrektheid in het midden der 16e eeuw. Na 1599 heeft men er ^ 11.500 H.A. lands door bedijking weer aangewonnen.

De natuurlijke geschiedenis van den Nederlandschen bodem.

A. Oudste vormingen in den voor-diluvialen tijd

De oudste gedeelten v. d. Ned. bodem vindt men in het z.o. van Limburg. Hier komt bij Kerkrade, Heerlen en elders de steenkolenformatie voor, die er ook produktieve steenkool levert, welke door particuliere concessies en van staatswege geëxploiteerd wordt. Deze steenkoolformatie is ontstaan aan de kust van een eiland, dat in den Devonischen tijd in de Belgische Ardennen, den Eifel en het Sauërlandsgeb. bestond, en zoo vormde de steenkoolfonnatie een geheele kustzoom langs dat eiland, van het tegenw. Valenciennes in Frankrijk, langs Sambre en Maasdal, voorbij Aken tot aan de Ruhr ten o. van den Rijn. Tot dien steenkolengordel behoort de kolenformatie in Limburg.

Gedurende den tijd, dat hier de steenkolen gevormd werden, lag de bodem van Nederland elders nog diep onder de wateren, en in onderseh. volgende geologische tijdperken duurde dit voort. In die geologische tijdperken zijn er geen aardlagen in Nederland ontstaan, en daardoor weten wij niets omtrent den bodem van ons land in dien tijd. (Zie over de steenkolenvorming het art. Steenkolen.)

Het eerst na de steenkolenformatie leeren wij omtrent den Nederlandschen bodem iets kennen in den tijd der krijtformatie. In den aanvang van dien tijd vond men ten o. van Nederland rondom Munster een ondiepe kom, die met brak water gevuld was, de Kom van Munster genoemd. In deze kom had langs de randen een moerassige deltavorming plaats, welke onder den naam van „Weald vorming” (woudenformatie) bekend is. Hierin werden lagen van zandsteen, leemlei en kalkbanken gevormd. De lagen dezer vorming vindt men nog bij Winterswijk, in het oosten van Overijsel en bij Bentheim, doch in Nederland niet van groote uitgestrektheid.

In de latere tijden der krijtformatie heeft in Zuid-Limburg de vorming van aanzienlijke lagen gesteenten plaats gehad, die in het algemeen als Limburgsch krijt aangeduid worden. Het zijn verschillende zanden, die hiertoe behooren, maar bovenal van belang zijn de lagen Gulpensch en Maastrichtsch krijt. Het Maastrichtsch krijt bestaat in de onderste deelen veelal uit kalk- en mergellagen, die o. a. aan den rechteroever der Geul boven Valkenberg zichtbaar zijn. In de bovenste lagen vindt men tuf krijt (in den St. Pietersberg o. a.), een zacht, grofkorrelig, geel kalkgesteente. Dit gesteente is gevormd door een opeenhooping van schelpen, koralen, bryozoën of mosdiertjes, foraminiferen e. a., die in de zee bezonken, welke op zijn minst een 100 M. diep was.

In deze zee van den krijttjjd leefden hier ook de reusachtige hagedissen, zooals de 8 M. lange Mosasaurus of Maashagedis, waarvan men hier de overblijfselen nog in den St. Pietersberg en elders heeft gevonden.

In de overige gedeelten van Nederland hadden geen aardvormingen in dezen tijd plaats.

Gedurende de Tertiaire formatie was Nederland nog met een samenhangende watermassa overdekt, die niet overal zeer diep was. In deze Tertiaire zee bezonken nog enkele aardlagen, o. a. in Gelderland en Overijsel zanden en leemgronden, waarin men overblijfselen van visschen en andere dieren uit dien tijd vindt; bij Winterswijk zijn de menigte haaientanden en wervels van zoogvisschen bekend, welke in het Tertiaire leem gevonden worden.

B. Diluvium

Het grootste gedeelte van den Nederlandschen bodem is gevormd in den Diluvialen tijd. In het artikel Diluvium is hierover geschreven; toch moeten wij hierop terugkomen, omdat de meeningen omtrent het ontstaan van het Diluvium in Nederland tegenwoordig van de daar gegeven voorstelling afwijken.

Dat er in den Diluvialen tijd een verandering in het klimaat plaats had, waardoor de landirjs- of gletscherbedekking der gebergten zich sterk uitbreidde, wordt algemeen aangenomen. De Alpen en het Skandinavische bergland vormden in dien tijd beide centra van verijzing, vanwaar de gletschers in den ijstijd zich uitbreidden. Die van de Alpen breidden zich uit over Zuid-Duitschland, die van Skandinavië over de Oostzee, Noord-Duitschland en Nederland. Bij den aanvang van dien ijstijd lag Nederland nog onder water, maar de zee was niet diep. Toen nu de gletschers van de Alpen zich uitbreidden, smolten zij in den zomer telkens weer voor een aanzienlijk gedeelte af, doch des winters breidden zij1 zich sterker uit, en daardoor namen zij toe. Dit afsmeltingsproces der Alpengletschers voedde de rivieren, vooral den Rijn, en toen de gletschers der Alpen tot over de Zuidelijke Vogezen kwamen, ook de Maas, met onnoemelijk groote waterhoeveelheden.

Rijn en Maas werden hierdoor buitengewoon snelle stroomen, die het puin der rotsen van de gebergten medevoerden. Dat materiaal legden zij neder in Nederland in de ondiepe kustzee, waar zij aankwamen. Zoo werd geheel Nederland met lagen van het rotspuin der gesteenten van de Alpen, van de Zuid-Duitsche en Fransche gebergten overdekt. Deze aardlagen, aldus in den diluvialen tijd gevormd, noemt men naar de afkomst van het materiaal Rijn- en Maas-diluvium, die door stroomend water aangevoerd en neergelegd zijn.

De gletschers van Skandinavië bereikten eerst later Nederland. Deze gletschers voerden ook steenen en rotspuin mede, uit het noorden afkomstig, en legden het als moraines neder. In Nederland kwamen de gletschers uit Skandinavië ongeveer tot aan den Rijn. Zij overdekten de onderliggende laag Rijn- en Maas-diluvium met meer of minder zware lagen van gesteenten en gronden uit het noorden aangevoerd, en toen de gletschers na den ijstijd weer afsmolten, zag men dat Skandinavisch diluvium aan de oppervlakte liggen.

Daardoor heeft men in Nederland ten z. van den Rijn Maas- en Rijn-diluvium, ten n. dier rivier Skandinavisch diluvium, en in een gedeelte gemengd diluvium, uit vermenging van beide ontstaan. Het Skand. diluvium bezit vele zware keien, zooals die, waaruit de hunebedden in Drente zijn gebouwd, steenen van Skandinavisch graniet, die men in het zuiden niet vindt. Verschil met de oude theorie van Lyell, door Staring nog gedeeld, is, dat men als transportmiddel van het Skandinavisch diluvium geen drijvende ijsbergen meer aanneemt, maar bedekking des bodems direct door gletschers.

C. Alluviale gronden

Na den ijstijd, toen de gletschers weer tot de hooggebergten waren ingekrompen, en de smeltwatermassa weder normaal was, waardoor de rivieren in vermogen verminderden, kwam de Nederland sche bodem bloot en droog te liggen. In het noorden zag men het moraine-landschap, in het zuiden de droge grint- en zandbeddingen van de vroeger uitgebreide diluviale rivieren. (Zie boven).

Op dezen grondslag werden in den alluvialen tijd, die hiermede aanvangt, nog nieuwe aardlagen afgezet, terwijl de andere door lucht en water verweerd of ook verplaatst werden. In den alluvialen tijd heeft de bodem van Nederland de gedaante verkregen, welke hij thans bezit; het Diluvium leverde daartoe de voorbereiding.

Op de diluviale gronden werden nu in de eerste plaats gevormd plantenformalies. In plassen welke niet dieper waren dan 1 M. ongeveer, ontstonden uit de waterplanten, welke hierin groeiden, laagvenen. In moerassige streken, welke dras lagen, zonder nog geheel onder water te staan, werden hoogvenen gevormd. Hoogvenen en laagvenen overdekten in den natuurlijken toestand het Diluvium met veenlagen. Het haf, dat er achter de duinen bestond, werd grootendeels met laagveen aangevuld.

Waar de rottende planten niet onder water kwamen, had de vorming van humus plaats, die zich met den mineralen bodem vermengde, en zoo de lagen zwarte bouwaarde deed ontstaan, welke men aan de oppervlakte van alle cultuurgronden vindt. Waar de rivieren of de zee de lagere gedeelten overstroomden, legden die in den loop der tijden lagen klei neer, welke de kleizoomen langs de rivieren en langs de zee uitmaken.

De rivieren hadden door hun snellen stroom op korten afstand in zee een reeks van zandbanken gevormd. Deze zandbanken kwamen bij een lageren waterstand gedeeltelijk boven de oppervlakte des waters. Dan werden zij droog, en het fijne zand stoof hier op tot duinen, die herhaaldelijk door den, wind van gedaante veranderd werden. De duinenrijen langs de kust en de zandverstuivingen in het land, o. a. op de Veluwe, zijn in den alluvialen tijd aldus gevormd. De vorming van het fijne zand bot heuvels geschiedde door den wind; het fijne zand werd van elders aangevoerd door het water.

Terreingesteldheid en polders

Overal in Nederland wordt de hoogte vergeleken met het Amsterdamseh Peil, als A.P. aangewezen, aanvankelijk een polderpeil in de stad, doch waarmede men thans het normaal niveauvlak aanduidt, dat door het nulpunt der Amsterdamsche peilschaal gaat. Sedert eenigen tijd is dit in de onderscheidene gedeelten des lands verbeterd aangebracht, en dit noemt men Nieuw Amsterd. Peil of Nauwkeurig Amsterd. Peil: N.A.P.

Nederland vormt in het algemeen een van het z.o. naar het n.w. af hellend vlak terrein, dat geheel tot de laagvlakte behoort. De hoogste verheffing ligt in het z.o. van Limburg en bedraagt 322 M., terwijl langs de Noordzee een breede strook lands ligt tot 2,5 M. — A.P. Tusschen deze grenzen liggen alle verheffingen. Men vindt een gedeelte des bodems, die bij gewone vloeden onder water zou loepen, en dit neemt + 38 % der oppervlakte in. Ongeveer 62 % van onzen bodem ligt hooger dan 1 M. -f A.P.

De lage gedeelten van ons land kunnen niet op natuurlijke wijze hun water op zee of op de groote rivieren loozen. Daardoor was men genoodzaakt dit gedeelte in polders te leggen. Onder polder verstaat men elk door kaden omringd stuk lands, dat een eigen, zelfstandigen waterstand heeft. Het grootste gedeelte van het lage land bestaan uit naast elkander liggende polders. Die polders slaan het water uit op daartusschen liggende reservoirs, welke het weder naar buiten afvoeren, boezems geheeten.

Groote gedeelten des lands zijn door droogmaking van plassen ontstaan; dit zijn droogmakerijen. W'aar gedeelten van de zee of van de binnenwateren door den aanleg van dijken bij het land zijn gevoegd, heeft men bedijkingen. Bedijkingen en droogmakerijen zijn derhalve bijzondere soorten van polders; doch de meeste polders zijn gevormd, zonder in historischen tijd ooit geheel onder water te hebben gelegen. De administratieve colleges, welke opgericht zijn om den waterafvoer goed te regelen, de boezems, polderdijken enz. in stand te houden, noemt men waterschappen, en worden meer in ’t bijzonder naar de verschillende macht, die zij bezitten, onderscheiden als heemraadschappen, hoogheemraadschappen, polderbesturen, dijkbesturen enz.

In de lage gewesten is de afwatering geheel kunstmatig geregeld en tot stand gebracht. In de hoogere gedeelten heeft de afwatering meest op natuurlijke wijze plaats naar de rivieren, hoewel ook hier polders en waterschappen gevonden worden.

Klimaat

Het klimaat van Nederland is een gematigd zeeklimaat, met te Utrecht een gemiddelde jaartemperatuur, die 10° C. bedraagt. De normale temperatuur voor eenige plaatsen bedraagt in de uiterste maanden:

Jan. Juli

Utrecht 1,18 18,69

Vlissingen 2,28 19,32

Maastricht 1,42 20,68

Helder 2,08 17,88

Leeuwarden 0 85 18 34

Groningen 0,53 18,17

De hooge Januari-temperatuur te Vlissingen en Den Helder wijst op den verwarmenden invloed der zee in die maand. Uit deze cijfers blijkt verder, dat de jaarlijksche temperatuurschommelingen in het oosten van ons land grooter zijn dan in het westen, hetwelk den overgang naar het vastelandsklimaat aanduidt. In den zomer verhoogen oostenwinden, in den winter westenwinden de temperatuur.

De heerschende winden hebben meest een w.z.w. richting. Als wij de winden naar 16 windstreken indeelen, hebben de z.w. winden ongeveer 22 % per jaar, dus 31/2 maal zooveel als bij gelijke verdeeling hun aandeel zou zijn. In April en Mei waaien in deze streken betrekkelijk de meeste n.o. winden in ’t jaar.

De heerschappij der westenwinden in verband met de ligging ten opzichte der zee heeft ten gevolge, dat de regenval aanzienlijk is. De regenval wisselt af van 600—800 m.M. per jaar; als gemiddelde in 1848—1888 vond men te Utrecht 696,7 m.M. regen per jaar. De volstrekte vochtigheid der lucht is het grootst in Juli en Aug., de betrekkelijke vochtigheid in Dec. en Jan. De zomermaanden, bovenal Aug., zijn het regenrijkst (gemidd. 81,1 m.M.), April heeft den minsten regen (37,9 m.M.).

Fauna

Het aantal in het wild levende dieren is in Nederland door de dichte bevolking klein. De roofdieren, die in Nederland wonen of in historischen tijd gewoond hebben, behooren tot de geslachten der Honden, Wezels, Vischotters en Dassen.

Tot het geslacht der Honden behoort de Wolf, die vroeger in ons land algemeen voorkwam, zoodat tot in de 18e eeuw nog wolvenjachten gehouden moesten worden. Thans verschijnt hij bij uitzondering aan de grenzen. Hiertoe behoort ook de Vos, die meer en meer wordt uitgeroeid. De Hond en de Kat zijn algemeene huisdieren. Tot het geslacht der Wezels behooren de Boommarter, Steenmarter, Bunsing, Hermelijn en Wezel. De Vischotter komt alleen nog in waterrijke

streken voor, maar wordt zeldzamer. Ook de Das, die hier vroeger veel voorkwam, wordt zeldzamer; alleen in de droge heidestreken van Groningen, Drente en Overijsel vindt men hem nog zeldzaam. De Robdieren zijn vertegenwoordigd door den Zeehond; de Vledermuizen door 11 soorten; de Spitsdieren door Mol, Spitsmuis en Egel; de Knaagdieren door Eekhoorn, Muis, Haas, Konijn,, bruine Rat.

Van de herkauwende dieren leven in het wild nog de Herten en de Reeën, bovenal op de Veluwe. In tammen staat als huisdieren komen verschillende herkauwers voor, zooals Runderen, Schapen en Geiten. Als eenhoevige dieren komen vooral voor de Paarden, verder nog Ezels en Muildieren; als veelhoevige het Zwijn.

Het aantal vogelsoorten is zeer talrijk; er worden ongeveer 240 vogelsoorten hier aangetroffen, waarvan 17 standvogels, 28 zwerfvogels, en de overigen zijn trekvogels.

De Nederlandsche veestapel bestond in 1903 uit 29.615 paarden, 1.667.075 stuks rundvee, 654.316 schapen, 882.500 varkens en 169.400 bokken en geiten.

Flora

Daar het grootste gedeelte van den Nederlandschen bodem door de cultuur in bezit is genomen, zijn de planten meest landbouw- en tuinbouwgewassen. Daartoe behooren: Tarwe, Rogge, Gerst, Haver, Boekweit, Boonen, Erwten, Koolzaad, bruin Mosterdzaad, Karwijzaad, Kanariezaad, Hop, Aardappelen, Suikerbieten, Mangelwortels, Koolrapen, gele Wortelen, Cichorei, Meekrap, Uien, Klaver, Lucerne, Vlas, Hennep, Tabak.

De Nederlandsche tuinbouw teelt bovenal vroege Aardappelen, Salade, Kool, Komkommers, Augurken, Boonen, Erwten. De bloembollenteelt heeft een aanzienlijke beteekenis langs de duinen in Noord- en Zuid-Holland, en de ooftteelt is eveneens van groot belang, vooral in westelijk Utrecht en de Betuwe.

Bosschen bezit Nederland niet zoo vele als in oude tijden, maar zij werden in Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijsel, Utrecht en Drente toch in de laatste halve eeuw veel uitgebreid door de bemoeiingen der Nederl. Heidemaatschappij. Men vindt hier veel dennenbosschen, hakhoutbosschen, eiken-, berken-, elzen hakhout; beuken- en eikenbosscben meest op groote buitens.

De oppervlakte van Nederland werd in 1903 ingenomen voor 36 53 % als grasland, 26,39 % als bouwland, 17,92 % als woeste gronden, 7,8 % als bosch, 2,22 % als tuingronden.

Aantal landgebruikers in Nederland:

In 1892: In 1901:

Eigenrs. Pachters Eigenrs. Pachters

Van 1— 5 H.A 44847 32896 46350 35686

„ 6 - 10 „ 21015 13177 20818 13953

. 11- 20 „ 17805 12111 17280 12656

* 21- 50 , 11155 10700 10756 11379

» 51-100 „ 1457 1867 1933 1933

meer dan 100 „ 130 81 101 90