Gepubliceerd op 17-02-2021

Gneis

betekenis & definitie

een kristallijn-schieferige vermenging van monoklinisch en triklinisch veldspaat, kwarts en donkeren, helderen glimmer. Dit gesteente onderscheidt zich ten aanzien van zijn mineralogische samenstelling van graniet slechts door zijn schieferige structuur.

In het graniet vertoonen de genoemde bestanddeelen zich onregelmatig door elkander gemengd, terwijl zij bij het G. als ’t ware in zeer dunne lagen zijn gerangschikt. De lagen wisselen af, evenwel zoodanig, dat geen samenhangend geheel wordt gevormd, maar dunne en afgebroken ophoopingen van blaadjes en schubben. De gewone kleur van ’t veldspaat is wit of grijs, soms doch niet zoo algemeen is zij roodachtig, en ’t kwarts is grijs- of bruinachtig wit. Zeer dikwijls komen G. en graniet met elkander voor en gaan zij zelfs wederzijds in elkander over. Soms vindt men granietrotsen in G. en omgekeerd G. te midden van graniet en, waar deze rotssoorten dicht bij elkander voorkomen, gaat ’t G. in graniet over door zijn bladerige of schieferige samenstelling met die van ’t korrelige te verwisselen en ofngekeerd gaat ’t graniet in G. over, doordien het daar, waar beide het naast bij elkander komen, allengs een schilferige of bladerige samenstelling verkrijgt; zoodanige verschijnselen behooren o. a. in Zweden tot de zeer gewone. Gesteenten, waarvan moeilijk te bepalen is, of ze tot het G. of tot het graniet behooren, komen daar op vele plaatsen voor.

Door verlies van zijn veldspaat gaat het G. in mica-schiefer over. Als accessorische bijmengselen treft men in ’t G. ook toermalijnen, granaten, andaluziet en dergelijke gesteenten aan en dikwerf wordt het door ertsaderen doorboord. Men brengt het tot de oudste gesteenten der aarde en evenals graniet heeft het een algemeene verbreiding. De groote en uitgestrekte ijzerbeddingen in Zweden, die het beste magneetijzer opleveren, liggen in G. De reeks steile en klipachtige rotsen aan Europa’s noordelijkste punt, de Noordkaap, 400 meter boven de Ijszee, bestaat waarschijnlijk uit G. Men kent zeer vele verscheidenheden van het G., naar de verhouding der bestanddeelen, de bijzondere wijze van textuur, de algemeene kleur enz. Eenige daarvan worden met afzonderlijke namen aangeduid, als porphyrachtig G., oogengneis, granietgneis, brotietgneis, muskovietgneis (rood), tweeglimmerig G., korrelig G., hoornblendegneis, augiet- of pyroxeengneis, protozingneis, sericietgneis.