Gepubliceerd op 29-01-2021

Fulda

betekenis & definitie

1) Kreits van het pruisisch regeeringsdistrict Cassel, 613½ G km. groot, in 1900 53.423 inw. in 1 stad en 114 landgemeenten.

2) Stad, hoofdpl. van den kreits F., rechts van de rivier F., aan de spoorlijnen Bebra—Frankfurt a/M. en F.—Giessen (106 km.), telde in 1900 16 900 inw.; r.-katholiek gymnasium, prachtvolle domkerk met twee torens (65 meter) en een koepel (58 meter hoog), 751 gewijd, 792—819 verbouwd, in 937 door brand vernield, 13—14de eeuw vernieuwd, 1700—12 door Dinzinger in barokstijl verbouwd: allerlei inuustrie, handel in graan en vee. F. had van 1734 tot 1303 een universiteit. Het bisdom F. ontstond uit een in 744 door leerlingen van Bonifacius in het landschap Grapfeld gestichte abdij, die in 751 onmiddellijk onder dtn roomschen stoel werd gesteld, later nog verscheidene andere kerkelijke voorrechten kreeg, en in 1752 tot een bisdom werd gekozen, dat in 1803 werd geseculariseerd.